ECLI:NL:HR:1999:AA3826
Hoge Raad
- Cassatie
- president Martens
- raadsheer Korthals Altes
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Van der Putt-Lauwers
- raadsheer De Savornin Lohman
- raadsheer Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt kostenveroordeling advocaat wegens niet-ontvankelijk hoger beroep
In deze zaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 1996 en 16 december 1997 vernietigd. Het hof had de advocaat van eiser, die tevens partij was in hoger beroep, persoonlijk veroordeeld in de kosten van het hoger beroep wegens het instellen van een evident niet-ontvankelijk hoger beroep en het voeren van een kansloos beroep op overmacht.
De Hoge Raad overweegt dat de bevoegdheid van artikel 58 Rv Pro niet is gegeven in het belang van de wederpartij, maar in dat van de cliënt. Nu de advocaat had gesteld dat de cliënt uitdrukkelijk opdracht had gegeven het hoger beroep in te stellen ondanks verstreken beroepstermijn en er geen sprake was van verkeerde voorlichting, was geen persoonlijke veroordeling van de advocaat in de kosten gerechtvaardigd.
De Hoge Raad vernietigt daarom de kostenveroordelingen aan de zijde van de advocaat en veroordeelt de cliënt in de kosten van het hoger beroep voor zover deze betrekking hebben op het geding tot het tussenarrest van 1996. De kosten na dat arrest en de cassatiekosten worden aan de zijde van de advocaat toegekend aan de wederpartij. Hiermee wordt de verdeling van proceskosten rechtvaardiger en conform de wettelijke regeling.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van artikel 58 Rv Pro en bevestigt dat advocaten niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor kosten tenzij sprake is van ernstige beroepsfouten die door de Hoge Raad niet zijn vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de kostenveroordeling van de advocaat en veroordeelt de cliënt in de kosten van het hoger beroep tot het tussenarrest van 1996.