ECLI:NL:HR:1999:AA2931
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekering kinderbijslag voor in buitenland verblijvende kinderen na beëindiging uitkering
Belanghebbende ontving kinderbijslag voor zijn in Marokko verblijvende kinderen. Het bestuur beëindigde deze uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 1992 en vorderde reeds uitbetaalde bedragen terug. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het bestuur in het gelijk stelde.
In cassatie betoogde belanghebbende dat hij onterecht niet als verzekerde was aangemerkt op grond van artikel 6 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat hij geen verzekering ontleende aan zijn VUT-uitkering terwijl anderen dat wel konden.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. De wetgeving ziet voor niet-ingezetenen alleen verzekering toe die loonbelasting betalen over in Nederland verrichte arbeid. Daarnaast heeft de wetgever een redelijke afweging gemaakt tussen niet-ingezetenen met sociale verzekeringsuitkeringen en degenen met privaatrechtelijke uitkeringen zoals de VUT. Er was geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Het cassatieberoep werd verworpen en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen en de beëindiging van kinderbijslag bevestigd.