Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1999:AA2910

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33971
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Wet op belastingen van rechtsverkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag overdrachtsbelasting na aandelenoverdracht BV

X BV verkreeg op 19 september 1991 bij notariële akte alle aandelen in A BV. De Inspecteur legde daarop een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op van 510.000 gulden met een verhoging van 100%, waarvan 75% werd kwijtgescholden. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. X BV ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat de aanslag vernietigde en de naheffing beperkte tot de belasting zonder verhoging.

X BV stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat er al vóór de transacties in juni 1991 volledige overeenstemming was over de aandelenoverdracht. Ook was het oordeel van het hof dat de economische transacties van juni 1991 waren gericht op het wijzigen van de aard van de aandelen om overdrachtsbelasting te vermijden, niet onredelijk.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de naheffingsaanslag en de vermindering van de verhoging door het hof. De zaak illustreert de toepassing van de Wet op belastingen van rechtsverkeer bij complexe aandelenoverdrachten en de toetsing van economische transacties aan de belastingheffing.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting tegen X BV na aandelenoverdracht.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 2 december 1997 betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging bij notariële akte van 19 september 1991, van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV, een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 510.000,-- aan enkelvoudige belasting en een verhoging van 100 percent van dat bedrag, van welke verhoging de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag 75 percent heeft kwijtgescholden. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak door de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot f 510.000,-- aan belasting zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Emmerig, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
3. Beoordeling van het middel
3.1. De naheffingsaanslag, die is opgelegd met toepassing van artikel 4, lid 1, aanhef en letter a van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 1991) (hierna: de Wet), betreft de verkrijging door belanghebbende van alle aandelen in A BV (hierna: de BV), bij akte van 19 september 1991.
3.2. Het middel richt zich in de eerste plaats met motiveringsklachten tegen ’s Hofs oordeel dat uit de in de uitspraak onder 1.3. en 1.4. aangehaalde briefwisseling van maart 1991 en de daarin onder 1.5. aangehaalde akte van mei 1991 blijkt dat belanghebbende en de aandeelhouders van de BV al vóór de hierna te noemen transacties van juni 1991 volledige overeenstemming hadden bereikt over de verwerving van de aandelen. Dit oordeel berust echter op aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven, ook niet in het licht van de door belanghebbende gesignaleerde verschillen tussen de door het Hof vermelde bewijsstukken en de akte van 19 september 1991.
3.3. In de tweede plaats richt het middel zich tegen het oordeel van het Hof dat de economische transacties van juni 1991, waarbij het Hof doelt op de vestiging van het economisch recht van vruchtgebruik en de vervreemding van de economische eigendom van de onroerende zaken van de BV, slechts kunnen worden verklaard uit een streven de aard van de aandelen korte tijd voor de overdracht daarvan (op 19 september 1991) te wijzigen teneinde de heffing van overdrachtsbelasting te verijdelen. Ook dit oordeel, waarbij het Hof behalve het in 3.2. besproken oordeel klaarblijkelijk heeft betrokken dat reeds in de onder 1.3. van zijn uitspraak aangehaal