ECLI:NL:HR:1999:AA2836

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juli 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33933
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 8 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 42a lid 5 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 46 lid 1 aanhef en onder a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperking aftrek kosten woningverhuur aan zoon zonder huurwaardeforfait

Belanghebbende bezat een woning in Canada die hij verhuurde aan zijn zoon, die niet als binnenlandse of buitenlandse belastingplichtige werd aangemerkt. Voor het jaar 1994 werd een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van f 360.698,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van f 346.397,--.

De Staatssecretaris stelde in cassatie dat een deel van de kosten, lasten en afschrijvingen niet aftrekbaar was omdat de bewoning door de zoon deels berustte op een om niet toegekend gebruiksrecht, op grond van artikel 36 lid 8 in Pro verbinding met artikel 42a lid 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof verwierp dit standpunt, hetgeen de Hoge Raad bevestigde.

De Hoge Raad oordeelde dat de wetsgeschiedenis geen steun biedt voor een beperking van de aftrek in situaties waarin het huurwaardeforfait niet van toepassing is, zoals bij de bewoning door de zoon in deze zaak. Ook het argument dat de lage huurprijs neerkomt op een schenking en daardoor aftrekbeperkingen zouden gelden, werd verworpen omdat de inkomsten niet hoger mogen worden gesteld dan daadwerkelijk genoten.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en legde geen proceskostenveroordeling op. Er werd een recht geheven van f 340,-- aan de Staatssecretaris opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de aftrek van kosten niet beperkt wordt indien het huurwaardeforfait niet van toepassing is.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 7 november 1997 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 360.698,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 346.397,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 13 augustus 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende bezit een woning in Canada, die hij verhuurt aan zijn zoon, die noch als binnenlandse noch als buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. In het onderhavige jaar heeft hij aan huur ontvangen f 2.394,--. De kosten, lasten en afschrijvingen ter zake van deze woning bedroegen in dit jaar f 16.553,--.
3.2. De Inspecteur heeft, ervan uitgaande dat een zakelijk bepaalde huur f 1.500,-- per maand zou bedragen, het standpunt ingenomen dat de bewoning door de zoon ten dele berust op een aan die zoon om niet toegekend gebruiksrecht en dat dientengevolge een evenredig deel van de kosten, lasten en afschrijvingen ingevolge artikel 36, lid 8, in verbinding met artikel 42a, lid 5, (tekst 1994) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) niet aftrekbaar is. Dit standpunt is door het Hof verworpen, maar wordt in cassatie opnieuw verdedigd.
3.3. Het Hof heeft op goede gronden terecht geoordeeld dat in de onderhavige situatie artikel 36, lid 8, van de Wet de aftrekbaarheid van de op de inkomsten uit de woning drukkende kosten, lasten en afschrijvingen, niet beperkt. Anders dan in het middel wordt betoogd, biedt de wetsgeschiedenis geen steun voor de opvatting dat, in afwijking van de wettekst, deze aftrekbeperking ook zou moeten gelden in situaties waarin, zoals hier, ten aanzien van de bewoner het huurwaardeforfait niet van toepassing is.
3.4. In het middel wordt nog een beroep gedaan op de omstandigheid dat door de verhuur tegen een te lage prijs in feite een vergelijkbaar resultaat is bereikt als wanneer de woning tegen een normale prijs zou zijn verhuurd en een deel van de ontvangen huur aan de zoon zou zijn geschonken, in welk geval echter voor aftrek van het geschonkene aan de criteria van artikel 46, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet voor aftrek van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud zou moeten zijn voldaan. Deze omstandigheid kan echter geen reden zijn de zuivere inkomsten uit de woning op een hoger bedrag te stellen dan belanghebbende werkelijk heeft genoten.
3.5. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 juli 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van f 340,--.