ECLI:NL:HR:1999:AA2813
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over waardering van rentelasten en heffingsrente bij obligatielening in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een naamloze vennootschap, kreeg voor het jaar 1987 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, inclusief heffingsrente. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag verminderd en de heffingsrente vastgesteld op een te vergoeden bedrag. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de waardering van de rentelasten op een obligatielening die belanghebbende had uitgegeven. Het hof had geoordeeld dat de rentelast moest worden gebaseerd op een vaste normale rentevergoeding van 7% bij uitgifte, zonder rekening te houden met de waarde van de certificaten van aandelen die als vergoeding werden uitgegeven. De Hoge Raad oordeelde echter dat de waarde in het economische verkeer van deze certificaten jaarlijks ten laste van de winst moet worden gebracht, in lijn met de heffing van inkomstenbelasting bij particuliere obligatiehouders.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en de uitspraak van de inspecteur, en stelde de aanslag en heffingsrente opnieuw vast op basis van de juiste waardering. Tevens wees de Hoge Raad af dat proceskosten aan de orde waren. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren op 30 juni 1999.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en stelt de aanslag en heffingsrente opnieuw vast op basis van waardering tegen de waarde in het economische verkeer.