ECLI:NL:HR:1999:AA2795
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslast en weigert cassatie in inkomstenbelastingzaak
Belanghebbende kreeg voor 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van f 595.235,--. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de aanslag, maar het Hof Amsterdam verminderde deze tot een belastbaar inkomen van f 573.645,--. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat een belastingplichtige niet kan volstaan met het aanbieden van schriftelijk bewijs ter zitting om aan de bewijslast van artikel 29 lid 1 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen te voldoen. Het Hof had terecht geoordeeld dat belanghebbende niet had bewezen dat bepaalde grond tot het privévermogen behoorde, een oordeel dat niet in cassatie kan worden aangetast omdat het gebaseerd is op de waardering van bewijsmiddelen.
De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en stelde het arrest op 30 juni 1999 in het openbaar vast.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof Amsterdam.