ECLI:NL:HR:1999:AA2795

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34414
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Brunschot
  • Hammerstein
  • Van Amersfoort
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijslast en weigert cassatie in inkomstenbelastingzaak

Belanghebbende kreeg voor 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van f 595.235,--. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de aanslag, maar het Hof Amsterdam verminderde deze tot een belastbaar inkomen van f 573.645,--. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat een belastingplichtige niet kan volstaan met het aanbieden van schriftelijk bewijs ter zitting om aan de bewijslast van artikel 29 lid 1 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen te voldoen. Het Hof had terecht geoordeeld dat belanghebbende niet had bewezen dat bepaalde grond tot het privévermogen behoorde, een oordeel dat niet in cassatie kan worden aangetast omdat het gebaseerd is op de waardering van bewijsmiddelen.

De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en stelde het arrest op 30 juni 1999 in het openbaar vast.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof Amsterdam.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 maart 1998 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 595.235,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de aanslag heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 573.645,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie
3.1. In 's Hofs uitspraak ligt besloten het juiste oordeel dat een belastingplichtige niet alsnog aan de ingevolge het bepaalde in artikel 29, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op hem rustende bewijslast kan voldoen door ter zitting van het Hof aan te bieden om van het in het onderhavige geval van belang zijnde element van het door hem berekende belastbare inkomen schriftelijk bewijs te leveren. Voorzover de middelen van een andere opvatting uitgaan, falen zij.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de grond tot het verplichte privévermogen behoorde. Dit oordeel kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden, omdat het berust op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en geen nadere motivering behoefde.
3.3. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 30 juni 1999 vastgesteld door de vice- president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.