ECLI:NL:HR:1999:AA2746
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Herstel van belastingfout via foutenleer in oudste openstaande jaar toegestaan
Belanghebbende kreeg voor 1988 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 88.265,--. Na bezwaar bleef de aanslag gehandhaafd, maar de inspecteur verminderde deze ambtshalve tot ƒ 78.660,--. Het Hof vernietigde het bezwaar en handhaafde de ambtshalve vermindering.
De kern van het geschil betrof een fout in de oudedagsreserve over 1986, die niet was gecorrigeerd bij de aanslag van dat jaar. De inspecteur had geprobeerd dit te herstellen via een navorderingsaanslag over 1986, maar deze werd vernietigd door het Hof omdat de navordering was gebaseerd op een feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur niet vrij is in de keuze tussen herstelmethoden, maar primair de fout moet herstellen in het jaar waarin deze is gemaakt. Als dat niet mogelijk is, kan de fout via de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar worden hersteld. Nu navordering over 1986 niet mogelijk was en vrijwillige betaling niet plaatsvond, mocht de inspecteur de correctie in 1988 toepassen.
Het beroep van belanghebbende werd verworpen. De Hoge Raad stelde dat het herstel in 1988 geen navordering is, maar voortvloeit uit het beginsel van balanscontinuïteit en dat dit geen strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook was niet gebleken dat belanghebbende nadeel had ondervonden van de correctie in 1988.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de inspecteur de belastingfout uit 1986 via foutenleer in 1988 mocht herstellen.