Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1999:AA2636

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34001
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 Belastingregeling voor het KoninkrijkArt. 20b Wet op de loonbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over teruggaaf loonbelasting buitenlandertarief

Belanghebbende, woonachtig te Curaçao, kreeg over het eerste halfjaar van 1995 loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden. Na bezwaar wees de Inspecteur teruggaaf toe van de premie volksverzekeringen, maar niet van de loonbelasting. Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde de Inspecteursbeslissing en kende een teruggaaf toe boven het reeds teruggegeven bedrag.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof met vier middelen. De Hoge Raad verwierp drie middelen vanwege onjuiste lezing of gebrek aan belang bij beantwoording. Het vierde middel slaagde echter omdat het Hof ten onrechte het buitenlandertarief van artikel 20b Wet op de loonbelasting 1964 toepaste, terwijl op grond van een besluit van de Staatssecretaris dit tarief buiten toepassing moest blijven.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de Inspecteursbeslissing, behalve voor griffierecht en proceskosten, en kende een hogere teruggaaf van loonbelasting toe. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten en verplicht tot vergoeding van het griffierecht van belanghebbende.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het buitenlandertarief bij loonbelasting in relatie tot pensioenrechten en stamrechten en bevestigt dat periodieke uitkeringen uit stamrechten als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking belast mogen worden in Nederland.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en kent een hogere teruggaaf van loonbelasting toe aan belanghebbende.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Curaçao (Nederlandse Antillen) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 december 1997 betreffende het over na te melden tijdvak van hem als loonbelasting ingehouden bedrag.
1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof Van belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 een bedrag van ƒ 3.659,50 aan loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden. Het tegen deze inhouding gerichte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur van 1 juli 1996 is teruggaaf verleend van ƒ 1.231,--, zijnde het bedrag van de ingehouden premie volksverzekeringen.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en teruggaaf van loonbelasting verleend tot het bedrag waarmee de inhouding f 2.429,-- te boven gaat. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen van cassatie voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend, waarin hij zich onder meer op het standpunt stelt dat het vierde middel doel treft.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. De middelen I en III berusten op een onjuiste lezing van de uitspraak van het Hof. Anders dan in die middelen wordt verondersteld heeft het Hof met zijn oordeel dat de vervanging van de pensioenrechten in december 1994 door stamrechten niet is aan te merken als de afkoop van een pensioenvoorziening, niet tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende toen niet over zijn pensioenrechten heeft beschikt, maar dat belanghebbende bij die - in fiscale zin als afkoop te beschouwen - vervanging stamrechten en niet een geldbedrag of een daarmee voorzover hier van belang gelijk te stellen vermogensrecht verkreeg. Dat 's Hofs oordeel in die zin juist is, wordt in cassatie niet bestreden. Bij dat uitgangspunt geven 's Hofs oordelen dat de periodieke uitkeringen uit die stamrechten moeten worden aangemerkt als inkomsten terzake van een vroeger in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking en derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 15, lid 1, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk in Nederland mogen worden belast, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Die oordelen behoefden geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven en zijn ook niet onbegrijpelijk. De van een andere opvatting uitgaande middelen I en III falen. 3.2. Middel II kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering aangezien het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.3. Middel IV slaagt: ingevolge het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 3 februari 1998, Nr. DB 98/4311, VN 1998, blz. 748 dient ook ten aanzien van belanghebbende het zogenoemde buitenlandertarief van artikel 20b van de Wet op de loonbelasting 1964 buiten toepassing te blijven. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur, · verleent boven het door de Inspecteur ambtshalve teruggegeven bedrag een teruggaaf van loonbelasting van f 1.831,--
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 315,--.
Dit arrest is op 3 februari 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.