ECLI:NL:HR:1999:AA2623

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34504
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Brunschot
  • Van Vliet
  • Hammerstein
  • Van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek extra pensioenvoorziening wegens ontbreken zakelijke grondslag

X B.V. kreeg voor 1995 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van f 13.620,--, gebaseerd op een niet aanvaarde extra pensioenvoorziening van f 10.835,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag verminderd tot f 13.395,--. De discussie betrof de vraag of de extra dotatie aan de pensioenvoorziening, voortvloeiend uit het vervroegen van de pensioenleeftijd van 65 naar 60 jaar voor de directeur A, ten laste van de winst mocht worden gebracht.

Het Hof oordeelde dat de verlaging van de pensioenleeftijd niet op een zakelijke grondslag berustte, omdat een arbeidsverhouding tussen A en X B.V. ontbrak na diens vertrek als werknemer. Dit oordeel werd door de Hoge Raad als feitelijk en niet onbegrijpelijk bevestigd, waarmee het cassatieberoep faalde.

De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en stelde het arrest op 10 november 1999 in het openbaar vast. Hiermee blijft de aanslag gehandhaafd zonder aftrek van de extra pensioenvoorziening.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de extra pensioenvoorziening niet aftrekbaar is wegens ontbreken zakelijke grondslag.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 mei 1998 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 13.620,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van f 13.395,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is op 26 mei 1992 opgericht door A, geboren op 10 januari 1951 en van beroep registeraccountant. A houdt alle aandelen in belanghebbende en was bij haar oprichting tevens enig werknemer en directeur. Belanghebbende heeft ten doel het uitoefenen van een openbare accountantspraktijk. Zij neemt sedert haar oprichting deel in de accountantsmaatschap C. Deze maatschap is op 31 maart 1993 ontbonden. Op 1 april 1993 is A elders in dienst getreden. Voor belanghebbende treedt A met ingang van 1 april 1993 alleen op als (onbezoldigde) directeur/bestuurder.
3.1.2. Belanghebbende en A hebben op 1 juni 1992 een pensioenovereenkomst gesloten, waarbij overeengekomen is dat het pensioen zal ingaan op 10 januari 2016, derhalve op de 65-jarige leeftijd van A. Het salaris van A bij belanghebbende bedroeg voor de periode 1 juni 1992 tot en met 31 december 1992 f 30.710,-- en voor de periode 1 januari tot en met 1 maart 1993 f 13.880,--. Bij belanghebbende stond eind 1992 op de balans een voorziening voor pensioen vermeld van f 13.375,--. In 1993 is een bedrag van f 4.425,-- aan de voorziening toegevoegd. Derhalve bedroeg de voorziening eind 1993 f 17.800,--. In 1994 behaalde belanghebbende een omzet van f 14.945,-- en werd aan de zoon van A f 1.600,-- uitbetaald wegens uitbestede werkzaamheden. De voorziening voor pensioen bedroeg eind 1994 onveranderd f 17.800,--. In 1995 behaalde belanghebbende een omzet van f 17.690,-- en is f 4.638,-- wegens uitbestede werkzaamheden uitbetaald. De voorziening voor pensioen bedroeg eind 1995 f 28.635,-- door toevoeging van f 10.835,-- naar aanleiding van een tussen belanghebbende en A op 23 december 1995 gesloten nieuwe pensioenovereenkomst. In deze pensioenovereenkomst is bepaald dat het pensioen zal ingaan op 10 januari 2011, derhalve op de 60-jarige leeftijd van A.
3.1.3. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar, 1995, aangifte gedaan van een belastbaar bedrag van f 2.785,--. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare bedrag verhoogd met de door hem niet aanvaarde toevoeging aan de pensioenvoorziening ten bedrage van f 10.835,-- en mitsdien het belastbare bedrag vastgesteld op f 13.620,--.
3.2. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat voor de beantwoording van de tussen partijen in geschil zijnde vraag, namelijk of de extra dotatie aan de pensioenvoorziening ten bedrage van f 10.835,--, die voortvloeit uit het verlagen van de pensioenleeftijd van 65 naar 60 jaar, ten laste van de winst van belanghebbende kan worden gebracht, beslissend is of genoemde verlaging van de pensioenleeftijd op een zakelijke grondslag berust. In zoverre het middel dit uitgangspunt bestrijdt, faalt het derhalve.
3.3. Het Hof heeft op grond van zijn overwegingen in 5.2 tot en met 5.4 van zijn uitspraak geoordeeld – kort samengevat - dat de extra dotatie van f 10.835,-- aan de pensioenvoorziening in verband met het vervroegen van de pensioeningangsdatum niet kan worden aanvaard, nu daarvoor een zakelijke grond, gelegen in een tussen A en belanghebbende aanwezige arbeidsverhouding, ontbreekt. Dit oordeel kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Ook voor het overige faalt het middel derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 november 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Huijgevoort, en op die datum in het openbaar uitgesproken.