ECLI:NL:HR:1999:AA1062

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R98/154HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Roelvink
  • raadsheer Neleman
  • raadsheer Heemskerk
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer De Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 828i lid 1 Rv (oud)Art. 103 AbwArt. IX Wet van 15 april 1992, Stb. 193Art. 429a-r RvArt. 429n lid 2 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beroep in cassatie inzake verhaal kosten bijstand voormalige echtgenote

De zaak betreft een geschil over het verhaal van kosten van bijstand ten behoeve van de voormalige echtgenote van verweerder. De Rechtbank Breda had in 1994 bepaald dat verweerder een maandbedrag aan de Gemeente moest betalen. Verweerder kwam in 1997 in verzet tegen deze beschikking en verzocht om het verhaalsbedrag met ingang van oktober 1993 op nihil te stellen. De rechtbank wijzigde de beschikking deels en stelde het verhaalsbedrag over een bepaalde periode op nihil.

De Gemeente stelde hoger beroep in tegen deze wijziging, maar het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde het verhaalsbedrag over een deel van de periode vast op nihil en over andere periodes op een bedrag van in totaal € 10.000. De Gemeente stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het beroep van verweerder ontvankelijk had verklaard ondanks de termijnoverschrijding, omdat de procedure na de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene wet bestuursrecht (Abw) viel en de toepasselijke procesregels een termijn van twee maanden voor hoger beroep voorschrijven. Verder verwierp de Hoge Raad het beroep van de Gemeente dat wijziging van het verhaalsbedrag alleen mogelijk is bij wijziging van omstandigheden, en stelde dat ook onjuiste of onvolledige gegevens bij de eerdere beschikking een grond voor wijziging kunnen vormen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Gemeente en veroordeelde haar in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Gemeente wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

Beschikking
in de zaak van:
DE GEMEENTE STEENBERGEN,
gevestigd te Steenbergen,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr P.S. Kamminga,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij beschikking van 19 augustus 1994 heeft de Rechtbank te Breda op verzoek van verzoekster tot cassa-tie – verder te noemen: de Gemeente – bepaald dat ver-weerder in cassatie – verder te noemen: [verweerder] – vanaf 1 oktober 1993 een bedrag van ? 1.836,11 per maand aan de Gemeente dient te betalen ter zake van gemaakte en nog te maken kosten van bijstand ten behoeve van zijn voormalige echtgenote. [verweerder] had tegen het verzoek geen verweer gevoerd.
In een op 21 november 1997 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift is [verweer-der] tegen voormelde beschikking in verzet gekomen en heeft hij verzocht de beschikking van de Rechtbank van 19 augustus 1994 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het door [verweerder] te betalen verhaalsbe-drag met ingang van 1 oktober 1993 op nihil wordt ge-steld.
De Gemeente heeft in haar verweerschrift verzocht [verweerder] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 1998 haar beschikking van 19 augustus 1994 in zoverre gewijzigd dat het bedrag dat [verweerder] over de periode van 28 januari 1997 tot 19 juni 1997 aan de Gemeente ter zake van gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van zijn voormalige echtgenote dient te betalen, wordt vast-gesteld op nihil en het meer of anders verzochte afgewe-zen.
Tegen deze beschikking heeft [verweerder] op 25 maart 1998 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 30 september 1998 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank vernietigd en met wijziging van de beschikking van de Rechtbank te Breda van 19 augustus 1994 het verhaalsbedrag over de periode van 28 januari 1997 tot 19 juni 1997 op nihil vastgesteld en het verhaalsbedrag over de periode van 1 oktober 1993 tot 28 januari 1997 alsmede over de periode van 19 juni 1997 tot 3 november 1997 vastgesteld op in totaal ? 10.000,--.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft verzocht het beroep te ver-wer-pen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Onderdeel A betoogt dat het Hof heeft miskend dat in de onderhavige procedure betreffende verhaal van kos-ten van bijstand de Wet van 15 april 1992, Stb. 193, van toepassing is, nu [verweerder] bij verzoekschrift van 21 november 1997 in verzet is gekomen tegen een beschikking van 19 augustus 1994 van de rechtbank te Breda, gegeven op een verzoek van de Gemeente tot verhaal. Het Hof had [verweerder] in zijn hoger beroep, op 25 maart 1998 ing-esteld tegen de beschikking van 17 februari 1998, niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat dit beroep was ing-esteld na het verstrijken van de appeltermijn die ingevol-ge art. 828i lid 1 (oud) Rv. drie weken beliep. Dit geldt zowel in het geval dat het verzoekschrift van [verweerder] strekte tot verzet tegen de beschikking als in het geval dat het verzoekschrift strekte tot wijziging van het ver-haalsbedrag, aldus het onderdeel.
3.2 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet ervan wor-den uitgegaan dat het verzoek van [verweerder] van 21 no-vember 1997 moet worden aangemerkt als een verzoek tot wijziging van de beschikking van 19 augustus 1994, nu de Rechtbank het verzoek in deze zin heeft uitgelegd en hier-tegen in hoger beroep niet is opgekomen. Het verzoek tot wijziging heeft een nieuwe procedure ingeleid, waarin het inleidend verzoekschrift is ingediend op 21 november 1997, derhalve na de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de nieuwe Abw.
Hieruit volgt dat in dit geding van toepassing zijn de procedureregels voor het verhaal in rechte volgens de sinds 1 januari 1996 geldende Abw. De Abw geeft enige pro-cedureregels voor het verhaal in rechte in art. 103, maar bevat niet een bepaling waarin de inwerkingtreding van de twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor deze verhaalsprocedu-res is geregeld, noch een specifieke regeling van de ter-mijn van hoger beroep in deze procedures.
De Wet van 15 april 1992, Stb. 193, bevatte wel een zodanige bepaling in art. IX, luidend: "De twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering treedt gelijktijdig met deze wet in wer-king ten aanzien van gedingen bedoeld in § 2 van Hoofdstuk IV A." Deze bepaling was geschreven voor de ABW zoals deze heeft gegolden vanaf 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996, en kan niet zonder meer worden toegepast op de nieuwe Abw, die de oude ABW geheel heeft vervangen. Uit de geschiede-nis van de totstandkoming van de nieuwe Abw blijkt niet van de bedoeling om de werking van deze bepaling te beëin-digen bij de invoering van de Abw. Kennelijk is verzuimd om een vergelijkbare bepaling op te nemen in de Abw ten aanzien van gedingen bedoeld in Hoofdstuk VII Abw, waarin het verhaal van kosten van bijstand thans is geregeld. Art. 103 lid 2 Abw Pro wijst in de richting van toepasselijk-heid van de art. 429a-r Rv., omdat de daarin van overeenk-omstige toepassing verklaarde artikelen 799, tweede lid, 801 en 803 Rv. moeten worden aangemerkt als bijzondere procesregels ten opzichte van de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure in de art. 429a-r Rv. Zowel uit een oogpunt van consistentie als uit een oogpunt van doel-matigheid moet worden aangenomen dat de art. 429a-r Rv. van overeenkomstige toepassing zijn in procedures tot ver-haal van kosten van bijstand.
Een en ander brengt mee dat in deze procedures de in art. 429n lid 2 Rv. gegeven regeling van de appeltermijn van overeenkomstige toepassing is, zodat de appeltermijn voor [verweerder] als de oorspronkelijke verzoeker twee maanden na de dagtekening van de eindbeschikking bedroeg. Deze slotsom zou ook kunnen worden gegrond op art. 345 Rv Pro., maar overeenkomstige toepassing van art. 429n ligt gelet op het vorenoverwogene meer voor de hand en verdient de voorkeur, daar dit artikel een meer omvattende en ver-beterde regeling bevat in vergelijking met die van art. 345. [verweerder] heeft binnen deze termijn hoger beroep ingesteld. Onderdeel A faalt derhalve.
3.3 Onderdeel B klaagt dat het Hof heeft miskend dat blijkens art. 98 lid 1 Abw Pro het door de rechter vastgestel-de verhaalsbedrag op verzoek van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter slechts kan worden ge-wijzigd op grond van wijziging van omstandigheden en niet op de grond dat bij de vaststelling van het verhaalsbedrag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het onderdeel is ongegrond daar het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Met het in art. 98 lid 1 Abw Pro bedoelde geval van sedert een vorige beschikking gewijzig-de omstandigheden moet worden gelijkgesteld het geval dat bij een vorige beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (vgl. HR 11 november 1988, nr. 7336, NJ 1989, 126, en HR 14 april 1989, nr. 7459, NJ 1990, 412).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [ver-weerder] begroot op ? 2.990,-- in totaal, waarvan ? 2.880,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier, en
? 110,-- te voldoen aan [verweerder].
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman,
Heemskerk, Fleers en De Savornin Lohman, en in het open-baar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 19 november 1999.