ECLI:NL:HR:1999:AA1060
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- Heemskerk
- Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- De Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gezagswijziging en omgangsregeling bij internationale voogdijgeschil
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de uitoefening van het ouderlijk gezag en omgangsregeling met hun zoon, geboren in 1985. De moeder was belast met de voogdij en de vader met de toeziende voogdij. Na verhuizing van de moeder naar Duitsland en meerdere niet-nakoming van omgangsafspraken, stelde de vader een verzoek tot wijziging van het gezag en begeleiding van omgangsbezoeken aan de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank wees het verzoek af, met name omdat de zoon ernstige bezwaren tegen omgang met de vader had geuit. Het hof vernietigde dit deel van de beschikking en erkende het belang van omgang, maar wees het verzoek tot gezagswijziging en begeleiding van omgangsbezoeken af. Het hof benadrukte dat de negatieve invloed van de moeder op de zoon de omgang bemoeilijkt, maar dat er geen reden was om in te grijpen in de door Duitse rechter getroffen voorzieningen.
De vader stelde cassatieberoep in tegen het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beslissing voldoende had gemotiveerd en dat het niet verplicht was de Duitse autoriteiten in te lichten over het voornemen tot afwijzing van het verzoek. Ook werd geoordeeld dat het inwinnen van een deskundigenbericht geen maatregel in de zin van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 is. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de moeder blijft belast met het ouderlijk gezag; de omgangsregeling onder Duitse voorzieningen blijft gehandhaafd.