Uitspraak
19 mei 1999.
Hoge Raad
De curator van het faillissement van een vennootschap die een enquête heeft ondergaan, verzocht de Ondernemingskamer om bestuurders en commissarissen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de enquêtekosten. De Ondernemingskamer wees dit verzoek toe op grond van het geconstateerde wanbeleid en het vermoeden dat de kosten door de vennootschap zijn voldaan.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 2:354 BW Pro de verantwoordelijkheid van een individuele commissaris voor onjuist beleid concreet uit het enquêteverslag moet blijken. Een algemene conclusie dat de leden van de raad van commissarissen van het wanbeleid hebben geweten, is onvoldoende. De Ondernemingskamer had dit niet juist toegepast door een algemeen vermoeden te hanteren.
Omdat de Ondernemingskamer wel twee concrete omstandigheden had genoemd die mogelijk individuele verantwoordelijkheid van de commissaris rechtvaardigen, verwees de Hoge Raad de zaak terug voor nader feitelijk onderzoek. De curator werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt beschikking en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar individuele aansprakelijkheid commissaris.