Uitspraak
[woonplaats].
24 november 1998.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft het Hof in hoger beroep de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde diefstal in gekwalificeerde vorm, maar veroordeelde hem voor medeplegen van zware mishandeling en openlijke geweldpleging tot vijftien maanden gevangenisstraf. De benadeelde partij kreeg een vordering toegewezen.
De verdachte stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte niet eerst had beslist over de bewezenverklaring van eenvoudige diefstal nadat de gekwalificeerde diefstal niet bewezen was verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de tenlastelegging begrijpelijk had uitgelegd en dat het niet nodig was om eerst over de eenvoudige diefstal te beslissen voordat het tot de beoordeling van medeplegen van zware mishandeling overging.
De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor zover het cassatieberoep gericht was tegen de vrijspraak van de diefstal en verwierp het beroep voor het overige. Er was geen grond voor ambtshalve vernietiging. Daarmee bleef het arrest van het Hof in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk voor cassatie tegen vrijspraak diefstal en verwerpt beroep tegen veroordeling medeplegen zware mishandeling en geweldpleging.