Uitspraak
21 april 1998.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verdachte veroordeeld voor verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, waarbij het bewezenverklaarde onder meer bestond uit het binnendringen van de mond van het slachtoffer met de tong. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte verworpen.
De Hoge Raad overwoog dat de wetsgeschiedenis van art. 242 Sr Pro duidelijk maakt dat de term "seksueel binnendringen" elk binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking omvat, zonder beperking tot de wijze van binnendringen. Dit betekent dat ook het binnendringen met de tong onder deze strafbepaling valt.
De Hoge Raad verwierp de stelling dat een uitzondering gemaakt zou moeten worden voor vormen van binnendringen die objectief niet vergelijkbaar zijn met penetratie van anus of vagina. De ratio van de bepaling is de bescherming van de seksuele integriteit van het lichaam, en ook minder ernstige vormen van binnendringen kunnen een ingrijpende aantasting vormen.
Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde ook verkrachting oplevert, was niet onbegrijpelijk of onjuist. De Hoge Raad zag geen reden om het arrest te vernietigen en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor verkrachting blijft in stand.