ECLI:NL:HR:1998:AA2601
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde goodwill bij inbreng oogartsenpraktijk in BV
Belanghebbende, een oogarts, bracht zijn praktijk per 1 januari 1991 in een op te richten besloten vennootschap (BV) in, waarbij de goodwill werd vastgesteld op ƒ 1.000.000. Tegelijkertijd trad D toe tot de maatschap van belanghebbende en A, waarbij D voor een derde van de maatschap ƒ 150.000 betaalde. De Inspecteur stelde dat de goodwill bij overdracht aan de BV niet hoger kon zijn dan ƒ 225.000, gebaseerd op de betaling door D.
Het Hof stelde echter vast dat de goodwill ten minste ƒ 1.000.000 bedroeg en oordeelde dat de transacties met D onvoldoende vergelijkbaar waren met de overdracht aan de BV, omdat D slechts een plaats in het ziekenhuis kocht zonder overwinstcapaciteit over te nemen. De Inspecteur betoogde dat de arbeidsbeloning in de goodwillberekening te laag was, wat het Hof onvoldoende had gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn overwegingen omtrent de hoogte van de arbeidsbeloning in de goodwillberekening, waardoor het arrest niet in stand kan blijven. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Proceskostenveroordeling wordt achterwege gelaten.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling van de arbeidsbeloning in de goodwillberekening.