ECLI:NL:HR:1998:AA2579
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ondernemerschap echtgenote in maatschap tandartsenpraktijk
Belanghebbende, een tandarts, en zijn echtgenote zijn een maatschap aangegaan voor het gezamenlijk uitoefenen van de tandartsenpraktijk. De maatschapsovereenkomst regelde onder meer de inbreng van activa en passiva, waarbij belanghebbende zich de stille reserves en goodwill voorbehoudt. De belastingaanslag over 1991 werd door het Hof verminderd, waarbij het Hof oordeelde dat de echtgenote een onderneming dreef in de zin van artikel 6 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het voor ondernemerschap vereist is dat de echtgenote gerechtigd is tot stille reserves en goodwill. Echter, doordat de maatschapsovereenkomst voorziet in arbeid en winstverdeling, wordt de praktijk mede voor rekening van de echtgenote gedreven. Het voorbehoud van stille reserves door belanghebbende doet hieraan niet af.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee blijft het oordeel van het Hof in stand dat de echtgenote winst uit onderneming geniet binnen de maatschap, ondanks het voorbehoud van stille reserves door belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de aanslagvermindering door het Hof blijft in stand.