ECLI:NL:HR:1998:AA2559
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake desinvesteringsbetaling inkomstenbelasting 1992
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van nihil, vermeerderd met desinvesteringsbetalingen van 21.074 gulden. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Leeuwarden, dat de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en de desinvesteringsbetaling vaststelde op 10.537 gulden.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het Hof. De Staatssecretaris van Financiën bestreed het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was vanwege artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd vastgesteld op 26 augustus 1998 door de vice-president Jansen, samen met raadsheren Van Brunschot en Meij, en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen en het arrest van het Hof blijft in stand.