ECLI:NL:HR:1998:AA2537
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking proceskostenvergoeding bij inkomstenbelastingaanslag 1986
Belanghebbende was het oneens met de aanslag inkomstenbelasting 1986 en maakte bezwaar tegen de weigering van investeringsbijdragen. Na diverse procedures bij het Gerechtshof en eerdere vernietiging door de Hoge Raad, werd de aanslag verminderd en investeringsbijdragen toegekend.
In het tweede cassatieberoep betwistte belanghebbende de hoogte van de proceskostenvergoeding, stellende dat de Staat de werkelijk gemaakte kosten van f 17.788,-- moest vergoeden, mede op grond van artikel 2 lid 3 en Pro 26 IVBPR en artikel 6 EVRM Pro. De Inspecteur hield vast aan de forfaitaire regeling uit het Besluit proceskosten fiscale procedures.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat het beroep op genoemde verdragsbepalingen niet leidt tot een recht op hogere vergoeding en dat schadevergoeding wegens onrechtmatige daad in belastingzaken niet aan de orde is. Het Hof had de kostenvergoeding vastgesteld op f 3.550,-- en de Staat veroordeeld tot betaling hiervan. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk is en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de forfaitaire proceskostenvergoeding wordt bevestigd.