ECLI:NL:HR:1998:AA2470

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
14 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over hoorplicht en bezwaarprocedure in inkomstenbelastingzaak

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van f 485.713,--. Tegen deze aanslag werd bezwaar gemaakt, dat door de Inspecteur werd afgewezen. Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde.

In cassatie stelde belanghebbende dat de Inspecteur ten onrechte hem en zijn gemachtigde niet had gehoord in de bezwaarfase, wat een schending van de hoorplicht volgens artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht opleverde. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de hoorplicht was geschonden, dit niet tot cassatie kon leiden omdat niet was gebleken dat belanghebbende daardoor was benadeeld.

Verder stelde de Hoge Raad dat het Hof terecht oordeelde dat een gerechtshof niet bevoegd is om een zaak terug te verwijzen naar de Inspecteur om alsnog te horen. Het cassatieberoep werd daarom verworpen. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 februari 1997 betreffende de aan hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opge legd naar een belastbaar inkomen van f 485.713,--, waarvan f 412.843,-- belast naar een tarief van 45 percent, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep geko men bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoog schrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie CONVGEGEVENS 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende en zijn gemachtigde ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft gehoord, maar eerst nadat reeds een (pro forma) beroepschrift was ingediend, doch dat aan deze schending van een vormvoorschrift kan worden voorbijgegaan, nu niet is gebleken dat belanghebbende daardoor is benadeeld. In zoverre het middel tegen dit oordeel opkomt, kan het niet tot cassatie leiden. Immers, schending van de in artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht neergelegde hoorplicht kan in geen geval ertoe leiden dat de zaak, na vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, naar de inspecteur wordt terugverwezen ten einde deze in staat te stellen de belanghebbende alsnog te ho-ren, aangezien een gerechtshof niet de bevoegdheid tot zodanige terugverwijzing heeft. 's Hofs beslissing op dit punt is derhalve - wat er zij van de daartoe gebezigde gronden - juist.
3.2. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gelet op artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtszekerheid.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een ver oordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 25 maart 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.