ECLI:NL:HR:1998:AA2441

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33266
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.W. Jaap Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Overeenkomst Nederland-Duitsland 1959Art. 10 Overeenkomst Nederland-Duitsland 1959Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gezagsverhouding en belastingheffing bij deelname Europees Kampioenschap voetbal

Belanghebbende, een in Nederland woonachtige voetballer, ontving voor zijn deelname aan het Europees Kampioenschap voetbal 1988 een beloning en sponsorbijdragen. De Inspecteur stelde de aftrek elders belast aanvankelijk lager vast, waarna belanghebbende bezwaar maakte en het geschil bij het Hof aanhangig maakte.

Het Hof oordeelde dat er een gezagsverhouding bestond tussen de KNVB en de spelers van de Nederlandse selectie, waardoor de inkomsten als loon uit niet-zelfstandige arbeid moesten worden aangemerkt op grond van artikel 10 van Pro de belastingverdragsregeling tussen Nederland en Duitsland. Het Hof verhoogde de aftrek elders belast.

De Hoge Raad stelt vast dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat de feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst. De motivering van het Hof, onder meer dat de bondscoach beslissingsbevoegdheid had over de inzet van spelers, is voldoende om de aanwezigheid van een gezagsverhouding aan te nemen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en wijst een veroordeling in proceskosten af. Het arrest is op 11 februari 1998 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de inkomsten van de voetballer als loon uit niet-zelfstandige arbeid worden aangemerkt.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 maart 1997 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f a,-- met toepassing van een aftrek elders belast van f 668,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd doordat de aftrek elders belast is gesteld op f 2.947,-- . Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f a,-- met een aftrek elders belast van f 4.742,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoog schrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, in 1988 wonende in Nederland en als voetballer in dienstbetrekking werkzaam bij een voetbalvereniging, heeft als lid van de Nederlandse selectie deelgenomen aan een oefenprogramma van 24 mei tot en met 9 juni 1988 en vervolgens aan de eindronde van het Europees Kampioenschap Voetbal, welke van 10 tot en met 25 juni 1988 heeft plaatsgevonden in de Bondsrepubliek Duitsland. Hij ontving voor de tijdens het Europees Kampioenschap gespeelde wedstrijden van de KNVB een beloning van f b,-- (waarvan de KNVB de helft heeft gestort in een fonds, beheerd door de Stichting Contractspelersfonds KNVB), alsmede een bedrag aan sponsorbijdragen. 3.2. Het Hof heeft, op grond van de in zijn uitspraak opgesomde in onderlinge samenhang beschouwde omstandigheden, geoordeeld dat sprake was van een gezagsverhouding tussen de KNVB en de spelers die deel uitmaakten van de Nederlandse selectie voor het Europees Kampioenschap, en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de desbetreffende inkomsten van belanghebbende zijn aan te merken als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid in de zin van artikel 10 van Pro de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland van 16 juni 1959 (Trb. 1959, 85). 3.3. De - tegen voormelde oordelen gerichte - middelen falen. 's Hofs oordelen geven niet blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van de Overeenkomst en kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op hun juistheid worden onderzocht. De door het Hof gegeven motivering is toereikend. Met zijn overweging dat de bondscoach aanwijzingen kon geven aan de spelers, heeft het Hof kennelijk mede hierop het oog gehad dat, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, de bondscoach kon beslissen of en hoe lang een speler deelnam aan een wedstrijd dan wel of de speler op de reservebank of op de tribune diende plaats te nemen. Dit biedt in het licht van de overige door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden voldoende grond voor zijn oordeel dat te dezen - gedurende het deelnemen aan het oefenprogramma en het daaropvolgende kampioenschap - een gezagsverhouding aanwezig was tussen KNVB en spelers. Vorenbedoelde voor de door de spelers van de selectie te verrichten werkzaamheden wezenlijke beslissingen kunnen in de omstandigheden van het geval niet worden aangemerkt als slechts een nadere bepaling van verlangde prestaties in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 11 februari 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter wordt dit arrest ondertekend door de raadsheer Zuurmond.