ECLI:NL:HR:1998:AA2402
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale behandeling rentestandskorting bij vennootschapsbelasting 1989
Belanghebbende, een onderlinge waarborgmaatschappij, werd voor het jaar 1989 aangeslagen in de vennootschapsbelasting op een belastbaar bedrag van ƒ 17.567.855,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat zij bij de winstberekening per polis het verschil tussen de contante waarde van het gegarandeerde eindkapitaal berekend tegen een rentevoet van 4% en de contante waarde berekend tegen de hogere gegarandeerde rentevoet als rentestandskorting mocht activeren en deze over acht jaar ten laste van het resultaat mocht brengen.
Het hof oordeelde dat als tariefsrente de rente van 4% geldt zoals vastgelegd in de polisvoorwaarden en het beleggingscontract met de Rabobank, waarbij het risico voor belanghebbende beperkt is tot de insolvabiliteit van de Rabobank. De inspecteur stelde dat de hogere marktrente met een minimum van 4% als tariefsrente moet gelden, waardoor geen ruimte is voor activering van een rentestandskorting. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en stelt dat de uitleg van het convenant en de polisvoorwaarden een feitelijke beoordeling betreft die in cassatie niet kan worden getoetst.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de aanslag vennootschapsbelasting 1989 ongewijzigd gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag vennootschapsbelasting 1989.