ECLI:NL:HR:1998:AA2379

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33202
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 1 letter d Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 57 tweede lid Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie geldlening en premie-obligatie bij belastingaanslag 1993

Belanghebbende werd voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van 181.437 gulden, waarvan 100.000 gulden belast werd tegen het bijzondere tarief. Na bezwaar werd de aanslag gehandhaafd en het beroep bij het Hof Arnhem verworpen. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting B kwalificeert als een geldlening, ook al werd naast de kans op een premie geen rente genoten. Het verband van de prijs met de geldlening was doorslaggevend voor de vraag of sprake was van een kansspel of premielening. Tevens was het niet relevant dat de premie mede gefinancierd werd uit ingelegde bedragen die niet voor teruggaaf in aanmerking kwamen.

De overige middelen van belanghebbende faalden eveneens. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten en verwierp het beroep in cassatie. Hiermee werd het arrest van het Hof bevestigd en de aanslag gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het Hof Arnhem betreffende de aanslag inkomstenbelasting 1993.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 februari 1997 betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 181.437,-- , waarvan f 100.000,-- belast naar het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1 Voorzover de middelen ervan uitgaan dat het Hof de overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting B voor de toepassing van artikel 25, lid 1, letter d van de Wet niet heeft kunnen aanmerken als een overeenkomst van geldlening, nu ter zake van het ter beschikking stellen van het bedrag van f 1.000,-- naast (de kans op) een premie geen (lage) rente wordt genoten, falen zij, nu deze omstandigheid niet aan het bestaan van een geldlening in de weg staat. Het Hof heeft voorts terecht de omstandigheid dat de prijs verband houdt met de geldlening beslissend geacht voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een kansspel dan wel een premielening. 3.2 Voor het antwoord op de vraag of hier sprake is van een premie uitgekeerd op een premie-obligatie in de zin van artikel 25, lid 1, letter d van de Wet is voorts, zoals het Hof onder 4.5. terecht heeft overwogen, niet van belang dat de uitgekeerde premie mede is gefinancierd uit ingelegde bedragen welke niet voor teruggaaf in aanmerking kwamen. Deze omstandigheid neemt immers niet weg dat de premie ten aanzien van belanghebbende is aan te merken als een vergoeding voor het ter beschikking stellen van gelden. Ook voorzover de middelen uitgaan van een andere opvatting falen zij derhalve. 3.3 De middelen falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 23 september 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker- Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.