ECLI:NL:HR:1998:AA2285

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 augustus 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33599
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Bellaart
  • Van Brunschot
  • Van Vliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 AWR (oud)Art. 26 AWR (oud)Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak en niet-ontvankelijkverklaring in bezwaar inkomstenbelasting 1988

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1988 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van 50.000 gulden. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag verminderd. De inspecteur herzag de aanslag overeenkomstig het hofarrest, waarna belanghebbende opnieuw bezwaar maakte tegen deze vermindering. De inspecteur wees het bezwaar af met een brief van 23 september 1996, waarna belanghebbende in beroep ging bij het hof. Het hof verklaarde belanghebbende niet-ontvankelijk omdat de brief van de inspecteur geen formele uitspraak op bezwaar was.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte niet-ontvankelijkheid had vastgesteld, omdat de brief van de inspecteur wel als een uitspraak op bezwaar kon worden opgevat. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en de uitspraak van de inspecteur en verklaarde belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar.

De Hoge Raad nam geen verdere klachten in behandeling en wees proceskostenveroordeling af. Het griffierecht voor het cassatieberoep wordt aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: Belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 1988.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 juli 1997 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 50.000,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de In specteur is gehandhaafd. Nadat belanghebbende tegen die uitspraak in beroep was gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 50.000,-- onder verrekening van f 410,-- aan loonbelasting, heeft de Inspecteur op 1 februari 1996 de aanslag overeenkomstig 's Hofs uitspraak verminderd. Belanghebbende heeft op 19 maart 1996 tegen deze vermindering bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 september 1996 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat er geen reden bestaat om de aanslag over het jaar 1988 te herzien. Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij het Hof, dat belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit beroep gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ´s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoog schrift geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak, en tot niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dat stuk kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Het Hof heeft geoordeeld: dat het beroep zich richt tegen een brief van de Inspecteur die inhoudelijk niets anders bevat dan een uitleg omtrent de gang van zaken rond de vermindering van de aanslag inkomstenbelasting 1988 naar aanleiding van de uitspraak van het Hof in het geding dat door belanghebbende was aangespannen tegen de aan haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting over het onderhavige jaar (1988); dat een dergelijke brief echter niet is aan te merken als een uitspraak op een bezwaarschrift waartegen de wet de mogelijkheid van beroep bij de rechter heeft geopend; dat belanghebbende in haar beroep tegen voormelde brief van 23 september 1996 daarom niet kan worden ontvangen. 3.2. Voorzover de klachten zich tegen deze oordelen richten, treffen zij doel. Nu belanghebbende de brief van de Inspecteur van 23 september 1996 klaarblijkelijk als uitspraak op het door haar ingediende bezwaarschrift van 19 maart 1996 heeft opgevat en de inhoud van die brief geen andere gevolgtrekking toelaat dan dat belanghebbende dat redelijkerwijs heeft kunnen en mogen doen - diende het Hof, nu het kennelijk geen andere grond voor niet- ontvankelijkheid aanwezig achtte, belanghebbende in haar beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur te ontvangen, die uitspraak te vernietigen en belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar te verklaren. 3.3. Gelet op het hiervóór overwogene, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Voor het overige kunnen de klachten niet in behandeling worden genomen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur; verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.
Dit arrest is op 17 augustus 1998 vastgesteld door de raadsheer Bellaart als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.