ECLI:NL:HR:1998:AA2271
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid verhoging binnenhavengeld met milieuheffing door gemeente Rotterdam
Belanghebbende, een coöperatie, betaalde over augustus 1993 binnenhavengeld aan de gemeente Rotterdam, inclusief een verhoging van 5% voor milieuheffing. Deze heffing was bedoeld ter financiering van de inzameling van olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen via de Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart (SAB).
Belanghebbende betwistte de verschuldigdheid van deze verhoging, omdat haar duwbakken geen motoren hebben en geen afvalstoffen produceren die door de Stichting SAB worden ingezameld. De gemeente en het hof stelden dat de kosten van het inzamelsysteem redelijkerwijs konden worden toegerekend aan het gebruik van de haven.
De Hoge Raad oordeelde dat de gemeente krachtens artikel 277 Gemeentewet Pro bevoegd was het binnenhavengeld te heffen en te verhogen, ook als zij de uitvoering van de inzameling niet zelf verricht. De bezwaren van belanghebbende tegen de redelijkheid en rechtmatigheid van de verhoging faalden. Ook het argument dat de heffing onrechtvaardig was omdat duwbakken geen gebruik konden maken van het inzamelsysteem werd verworpen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en wees de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de 5% milieuheffing op het binnenhavengeld door de gemeente Rotterdam.