Uitspraak
[woonplaats].
1.De bestreden beschikking
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
4 november 1997.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem die het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel wegens niet-betaling van een geldboete ongegrond verklaarde. De Hoge Raad onderzoekt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, waarbij de wet vereist dat de veroordeelde vooraf het nog verschuldigde bedrag en de kosten ter griffie consigneren.
De veroordeelde betoogt dat zij niet in staat is tot consignatie en beroept zich op het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad overweegt dat het verzet tegen het dwangbevel een beperkte procedure is, maar dat de toegang tot de rechter in cassatie niet onaanvaardbaar wordt beperkt door de consignatieplicht, mede gelet op de waarborgen in de strafprocedure en de mogelijkheid tot betaling in termijnen.
De Hoge Raad stelt de veroordeelde echter alsnog in de gelegenheid om binnen veertien dagen het bedrag van ƒ 1097,27 te consigneren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat de veroordeelde aan deze voorwaarde heeft voldaan. De beschikking is gegeven door de vicepresident en raadsheren in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
Uitkomst: De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen het verschuldigde bedrag en kosten te consigneren; verdere beslissing wordt aangehouden.