ECLI:NL:HR:1997:ZD0640

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 1997
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
3582
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hermans
  • Keijzer
  • Bleichrodt
  • Corstens
  • Aaftink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a WvSvArt. 103 WvSvArt. 552a WvSv
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling geldigheid beslag zonder schriftelijke machtiging en belangenafweging betrokkene

In deze zaak stond centraal of het beslag op een personenauto rechtsgeldig was gelegd zonder dat vooraf een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris was verleend, zoals vereist op grond van artikel 103 Wetboek Pro van Strafvordering in samenhang met artikel 94a WvSv. De rechtbank had het beklag van klager tegen het beslag ongegrond verklaard, omdat de rechter-commissaris weliswaar mondeling een machtiging had verleend die later schriftelijk werd bevestigd.

De Hoge Raad bevestigde dat een schriftelijke machtiging voorafgaand aan het beslag noodzakelijk is om de rechterlijke toetsing van rechtmatigheid en opportuniteit te waarborgen. Een machtiging die pas achteraf schriftelijk wordt vastgelegd, voldoet in principe niet aan deze vereiste. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat het verzuim niet tot cassatie kan leiden indien de belangen van de betrokkene redelijkerwijs niet zijn geschaad.

In deze zaak was niet gesteld dat klager door het ontbreken van een schriftelijke machtiging in zijn belangen was geschaad. De rechtbank had dit ook zo beoordeeld en dat oordeel was niet onbegrijpelijk. Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef het beslag gehandhaafd.

De uitspraak benadrukt het belang van de schriftelijke machtiging als waarborg voor de rechten van de betrokkene, maar erkent ook dat een formeel verzuim niet altijd leidt tot vernietiging als er geen aantoonbare belangenbeschadiging is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het ontbreken van een schriftelijke machtiging niet heeft geleid tot belangenbeschadiging van de betrokkene.

Uitspraak

11 februari 1997
Strafkamer
Nr. 3582 Besch.
LD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 22 juli 1996 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klager] ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door G. [klager]. Namens deze heeft mr P. Suringa, advocaat te Wateringen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Motivering van de bestreden beschikking
De Rechtbank heeft aan haar beschikking, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende overweging ten grondslag gelegd:
Uit de behandeling in raadkamer is naar voren gekomen dat het beslag rechtsgeldig is gelegd. Uit het proces-verbaal van regiokorps Haaglanden, bureau Westland-West, met proces-verbaalnummer 02/04/96-14-1-0, blijkt namelijk dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, op vordering van de officier van justitie op 2 april 1996 een mondelinge machtiging tot het leggen van conservatoir beslag heeft verleend, die de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, bij beslissing van 11 april 1996 schriftelijk heeft bevestigd.
5. Beoordeling van het middel
5.1. Ingevolge art. 103 Sv Pro kan beslag op grond van art. 94
aSv slechts worden gelegd krachtens schriftelijke, op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris verleende machtiging. De rechter-commissaris dient daarbij de rechtmatigheid en de opportuniteit van het door de officier van justitie beoogde beslag te beoordelen. Het vereiste dat de machtiging schriftelijk wordt verleend, strekt ertoe zeker te stellen dat die rechterlijke toetsing voorafgaand aan het beslag heeft plaatsgevonden. Gelet daarop kan in beginsel niet worden aanvaard dat zodanige machtiging eerst in een later stadium op schrift wordt gesteld. Een beklag tegen een inbeslagneming als bedoeld in art. 94
aSv op grond dat deze is geschied zonder dat een schriftelijke machtiging is verleend, is dan ook om die reden gegrond, tenzij in het concrete geval de belangen van de betrokkene door dat verzuim redelijkerwijze niet kunnen zijn geschaad.
5.2. De Rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat te dezen de belangen van de betrokkene door het verzuim redelijkerwijze niet kunnen zijn geschaad. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld. Het behoefde geen nadere motivering in aanmerking genomen dat niet is aangevoerd dat klager door het verzuim in zijn belangen is geschaad.
5.3. Het middel faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer, Bleichrodt, Corstens en Aaftink, in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 1997.