Uitspraak
aneergelegde vereiste dat sprake is van een ‘’bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond’’.
14 november 1997.
Hoge Raad
In deze zaak kocht eiser in september 1992 een tweedehands caravan van verweerder, die deze caravan eerder had gekocht van een onderneming die handel dreef in tweedehands caravans vanuit een caravan als kantoor op een bedrijfsterrein. Later bleek dat de caravan op 1 mei 1992 was gestolen van de oorspronkelijke eigenaar. Eiser ontbond de koopovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde betaling van de koopsom en schadevergoeding. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vordering af.
Het geschil betrof de vraag of verweerder, die de caravan van een beschikkingsonbevoegde had verkregen, zich kon beroepen op de bescherming van art. 3:86 lid 3 BW Pro, waardoor eiser eigendom zou hebben verkregen ondanks de diefstal. De Hoge Raad bevestigde dat de bescherming ook geldt als de verkoopruimte niet duurzaam met de grond is verenigd, mits de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.
Het hof had geoordeeld dat de caravan als verkoopruimte voldoende gelijkgesteld kon worden aan een onroerende zaak, gezien de afwerking, continuïteit van de handel en de moeilijkheid om de caravan snel te verplaatsen. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was en dat de uitleg van art. 3:86 lid 3 BW Pro door het hof juist was. Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser werd verworpen en de koopovereenkomst werd terecht ontbonden wegens het niet verkrijgen van eigendom.