ECLI:NL:HR:1997:AA3334
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Meij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens onvoldoende bewijs gebruik weg
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor het tijdvak van 1 februari 1991 tot en met 31 januari 1992. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof verklaarde belanghebbende aanvankelijk niet-ontvankelijk wegens niet betalen van griffierecht, maar dit werd later vernietigd en het beroep alsnog inhoudelijk behandeld.
In cassatie stelde belanghebbende dat het bewijs voor het gebruik van een weg zoals bedoeld in artikel 2, leden 3 en 4, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 onvoldoende was. Het Hof had geoordeeld dat uit het ambtsrapport bleek dat het motorrijtuig op de controledatum gebruik maakte van een dergelijke weg. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit oordeel niet begrijpelijk was, omdat het ambtsrapport en de foto van de controle geen uitsluitsel gaven over de exacte locatie.
De Hoge Raad stelde vast dat de Inspecteur, die de bewijslast draagt, niet aannemelijk had gemaakt dat het motorrijtuig op de controledatum gebruik maakte van een weg als bedoeld in de wet. Daarom vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag. Tevens werd belanghebbende de griffierechten vergoed.
Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gebruik van een weg.