ECLI:NL:HR:1997:AA3299
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslag wegens ambtelijk verzuim en afwezigheid kwade trouw
Belanghebbende en haar echtgenoot, die samen een schoonmaakbedrijf exploiteren, sloten begin 1991 een werkovereenkomst waarbij een meewerkbeloning werd bedongen. De echtgenoot diende in maart 1992 de aangifte inkomstenbelasting 1991 in, waarbij de meewerkbeloning werd opgegeven en verzocht werd om toepassing van artikel 5, lid 6, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet toe te passen. Belanghebbende zelf ontving geen aangiftebiljet en verzocht hier ook niet om.
In 1995 legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op met betrekking tot het belastbaar inkomen, maar het Gerechtshof vernietigde deze aanslag omdat de Inspecteur eerder een primitieve aanslag had kunnen opleggen op basis van de door belanghebbende en haar echtgenoot verstrekte gegevens, maar dit niet had gedaan, waardoor sprake was van ambtelijk verzuim.
De Hoge Raad bevestigt dat het ontbreken van een verzoek om een aangiftebiljet door belanghebbende niet leidt tot kwade trouw, aangezien de meewerkovereenkomst tijdig was gemeld. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt verworpen. Tevens worden geen proceskosten toegewezen aan de zijde van belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de navorderingsaanslag blijft vernietigd wegens ambtelijk verzuim en afwezigheid van kwade trouw.