ECLI:NL:HR:1997:AA3296

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32881
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 3 letter e Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperking aftrek reiskosten ziekenbezoek bij gespreide verpleging

Belanghebbende bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1993 reiskosten voor ziekenbezoek aan zijn ernstig zieke echtgenote in aftrek als buitengewone last. De Inspecteur weigerde deze aftrek, waarna het Gerechtshof Arnhem de aanslag verminderd heeft omdat de verpleging in twee perioden van elk korter dan een maand plaatsvond, maar samen meer dan een maand duurde.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke regeling in artikel 46, lid 3, letter e, Wet op de inkomstenbelasting 1964, bedoeld is om aftrek alleen toe te staan bij langdurige, aaneengesloten verpleging van meer dan een maand. Perioden van verpleging die gescheiden zijn door een langere onderbreking kunnen niet als één aaneengesloten periode worden beschouwd.

In deze zaak waren de twee ziekenhuisopnames van de echtgenote gescheiden door een periode van vier weken, waardoor de verpleging niet als aaneengesloten kon worden aangemerkt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat reiskosten alleen aftrekbaar zijn bij aaneengesloten verpleging langer dan een maand.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 oktober 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkom stenbelasting/premievolksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 131.103,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f. 128.553,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De echtgenote van belanghebbende, die op 11 december 1993 is overleden, werd dat jaar in de perioden van 4 tot 21 september en van 19 oktober tot 3 november verpleegd in het A-ziekenhuis te Q. Belanghebbende die bij de aanvang van de ziekte van zijn echtgenote met haar een gemeenschappelijke huishouding voerde, heeft haar in de gemelde perioden regelmatig bezocht. De afstand tussen belanghebbendes woonplaats en Q beloopt 125 kilometer. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting heeft belanghebbende ter zake van de reiskosten voor ziekenbezoek een bedrag van (34 dagen x 125 km x 2 x f. 0,30 =) f. 2.550,-- als buitengewone last in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft genoemde kosten niet in aftrek toegestaan. 3.2. Het gaat hier om de vraag of is voldaan aan de in artikel 46, lid 3, letter e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) gestelde eis dat de echtgenote van belanghebbende wegens haar ziekte langer dan een maand is verpleegd. 3.3. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. Met ingang van 1 januari 1990 is in artikel 46, lid 3, letter e, van de Wet een regeling opgenomen die onder bepaalde voorwaarden aftrek als buitengewone last van reiskosten in verband met ziekenbezoek mogelijk maakt. Die regeling is ontleend aan het tot die datum gevoerde beleid op grond van de hardheidsclausule, zoals vastgelegd in de tot de belastingdienst gerichte aanschrijving van 23 mei 1972, nr. B72/12584, BNB 1972/161, laatstelijk gewijzigd bij Resolutie van 27 december 1988, nr. DB88/7826, BNB 1989/42. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de in 1990 in werking getreden wetsbepaling is daarmee beoogd de tevoren geldende regeling "die aftrek mogelijk maakt van kosten wegens ziekenbezoek aan langdurig op relatief grote afstand verpleegde naaste verwanten (...) in de wet te verankeren" (MvT, Kamerstukken II 1987/88, 20595, nr. 3, blz. 40, en Nota n.a.v. het eindverslag, 1988/89 20595, nr. 13, blz. 76/77). Ook de genoemde aanschrijving bevatte de voorwaarde dat de verpleging langer dan een - daar geschreven als: "één" - maand duurde. 3.4. Uit een en ander volgt dat de wetgever, evenals tevoren de belastingadministratie, heeft bedoeld met deze voorwaarde tot uitdrukking te brengen dat slechts bij langdurige verpleging aftrek van reiskosten wegens bezoek als buitengewone lasten dient te worden toegestaan. Het ligt mede daarom in de rede het begrip "langer dan een maand" in de hier aan de orde zijnde bepaling op te vatten als een aaneengesloten periode langer dan een maand. Bij verschillende ziekenhuis opnames die elk korter dan een maand duren is dan slechts aftrek mogelijk indien zij elkaar met zo korte onderbrekingen opvolgen en ook voor het overige - ondermeer doordat zij terzake van dezelfde ziekte plaatsvinden - zo duidelijk met elkaar samenhangen dat zij in wezen als één opname moeten worden beschouwd. In dit geval, waar kennelijk terzake van dezelfde ziekte twee opnames hebben plaatsgevonden van elk ongeveer twee en een halve week, in totaal 34 dagen, met een tussen ruimte van vier weken, doet zich een zodanige situatie nog juist voor. Het middel faalt.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 19 november 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroepschrift in cassatie een recht geheven van f. 300,--.