ECLI:NL:HR:1997:AA3270

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32461
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 1 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 2 Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 3 Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 1 lid 4 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering vrijstelling belasting personenauto met buitenlands kenteken

Belanghebbende, woonachtig in Nederland en statutair zaakvoerder van een Belgische vennootschap, gebruikte een in België geregistreerde personenauto die hem door de vennootschap ter beschikking was gesteld. De Inspecteur weigerde vrijstelling van belasting op grond van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en het Uitvoeringsbesluit, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging bij het Hof.

Het geschil betrof de vraag of het gelijkheidsbeginsel uit artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) vereiste dat belanghebbende dezelfde ruime vrijstelling zou krijgen als werknemers die geen invloed kunnen uitoefenen op de registratieplaats van de auto. Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van gelijke gevallen en dat de verschillende vrijstellingen rechtmatig waren.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het onderscheid tussen personen die wel of geen invloed hebben op de registratie van de personenauto gerechtvaardigd is, mede gelet op de redelijkheid en billijkheid die de wetgever voor ogen had. Het beroep in cassatie werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de weigering van de ruime vrijstelling van belasting voor de met buitenlands kenteken geregistreerde personenauto.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 juli 1996 betreffende na te melden beschikking inzake vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof De Inspecteur heeft bij beschikking van 2 mei 1995 geweigerd belanghebbende op de voet van het bepaalde in artikel 14, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) jo. de artikelen 2 en 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit) vrijstelling van belasting te verlenen voor de personenauto met een buitenlandse kenteken. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep ge komen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uit gegaan:
3.1.1. Belanghebbende, woonachtig in Nederland, houdt tezamen met B alle aandelen in de vennootschap naar Belgisch recht A te S, België, welke vennoot schap te R (België) een bedrijf in beveiligingssystemen uitoefent.
3.1.2. Belanghebbende is 'statutaire zaakvoer der' van A. Hij verricht onder andere zowel in België als in Nederland onderhoudswerkzaamheden aan door A geplaatste beveiligingssystemen. In dat verband heeft A aan belanghebbende in de loop van 1995 de onderhavige personenauto ter beschikking gesteld.
3.1.3. Belanghebbende kon invloed uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto werd geregistreerd.
3.1.4. Aan belanghebbende, wie bij onderhavige beschikking zowel de - ruime - vrijstelling als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit als de in artikel 3 van Pro het Besluit bedoelde - tot het woon-werkverkeer beperkte - vrijstelling is geweigerd, is bij beschikking van 12 maart 1996 alsnog laatstbedoelde vrijstelling verleend.
3.2. Ter zitting van het Hof hebben partijen verklaard dat hun geschil enkel nog betrof het antwoord op de vraag of toepassing van het in artikel 26 IVBPR Pro neergelegde gelijkheidsbeginsel meebrengt dat aan belanghebbende de in artikel 2 van Pro het Besluit bedoelde vrijstelling diende te worden verleend, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.
3.3. Het Hof heeft vooropgesteld: dat in artikel 14, lid 1, van de Wet jo. de artikelen 2 en 3 van het Besluit vrijstellingsregelingen zijn getroffen voor gevallen waarin, kort gezegd, in Nederland wonende personen in verband met hun werk in een ander land een in dat land geregistreerde personenauto gebruiken; dat artikel 2 een Pro ruimer gebruik van de openbare weg in Nederland met zo'n personenauto van belastingheffing vrijstelt dan artikel 3 van Pro het Besluit doet; dat de toepasselijkheid van de ruime of de beperkte vrijstelling ervan afhangt of, voorzover hier van belang, de werknemer al dan niet invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land de personen auto wordt geregistreerd.
3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de besluitgever bij het maken van het hiervóór in 3.2 bedoelde onderscheid kennelijk en terecht geen gelijke gevallen aanwezig heeft geoordeeld en voorts dat de besluitgever bij het verlenen van de vrijstellingen van de belasting zonder schending van artikel 26 IVBPR Pro voor deze ongelijke gevallen de vrijstelling aan verschillende beperkingen heeft kunnen onderwerpen. Tegen deze oordelen richt zich het middel.
3.5.1. Artikel 1, lid 4, van de Wet bepaalt dat terzake van de aanvang van het gebruik in Nederland van de weg met een (hier te lande) niet-geregistreerde personenauto die ter beschikking staat van een in Nederland woonachtige natuurlijke persoon belasting verschuldigd is. Met deze bepaling heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat - voorzover te dezen van belang - geen belasting verschuldigd is terzake van het gebruik van de weg in Nederland met personenauto's als de onderhavige, die zich weliswaar in het internationale verkeer bevinden, dat wil zeggen voor zien zijn van een buitenlands kentekenbewijs dat op naam is gesteld van een in het buitenland wonende natuurlijke persoon of een in het buitenland gevestigd lichaam, maar die ter beschikking staan van in Nederland woonachtige natuurlijke personen.
3.5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, lid 1, van de Wet jo. de artikelen 2 en 3 van het Besluit wordt onder bepaalde voorwaarden en beperkingen vrij stelling verleend van anders ingevolge artikel 1, lid 4, van de Wet, verschuldigde belasting. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet, heeft de regering die vrijstelling om billijkheidsredenen gewenst geacht. Daarbij is tevens opgemerkt dat het redelijk is aan personen die als werknemer niet zelf kunnen beslissen in welk land het motorrijtuig wordt aangeschaft en geregistreerd, een ruimere vrijstelling te verlenen dan aan personen die zulks wel zelf kunnen beslissen (Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 10, blz. 19).
3.5.3. Gelet op laatstbedoeld, in artikel 2, lid 1, onder c, jo. artikel 3, lid 1, van het Besluit, neergelegde onderscheid, is de besluitgever ervan uitgegaan dat te dezen geen sprake is van gelijke gevallen die een gelijke behandeling vereisen. Dit uitgangspunt is juist. Immers, personen als belang hebbende moeten, anders dan de in laatstgenoemde bepalingen bedoelde werknemers, geacht worden zelf erover te kunnen beslissen of de onderneming aan hen in verband met het verrichten van arbeid een - in het land van vestiging van de onderneming geregistreerde - personenauto ter beschikking stelt dan wel dat zij de door hen met een op eigen naam gestelde - en in het land van hun woonplaats geregistreerde - personenauto in verband met het verrichten van arbeid gemaakte kosten aan de onderneming in rekening brengen.
3.6. Het Hof heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat de besluitgever kennelijk en terecht ervan is uitgegaan dat te dezen geen sprake is van gelijke gevallen. 's Hofs oordeel dat de besluitgever niet artikel 26 IBVPR Pro heeft geschonden door aan personen als belanghebbende niet onder dezelfde voorwaarden en beperkingen vrijstelling van belasting te verlenen als aan de in artikel 2, lid 1, onder c, jo. artikel 3, lid 1, in fine, van het Besluit bedoelde werknemers, is derhalve eveneens juist. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff in raad kamer van 27 augustus 1997 en in het openbaar uitgesproken.