ECLI:NL:HR:1997:AA3233

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32175
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 onderdeel b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 42a lid 5 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aanslag inkomstenbelasting 1993 ondanks bezwaar over huishoudelijke hulp en huurwaardering

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 23.836,--. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat het bezwaar eveneens verwierp.

In cassatie werden klachten ingebracht tegen het oordeel van het Hof over de aftrek van kosten voor huishoudelijke hulp en de forfaitaire huurwaardering van het door belanghebbende bewoonde huis. Het Hof had geoordeeld dat slechts ƒ 942,-- van de kosten voor huishoudelijke hulp als buitengewone lasten in aanmerking kon worden genomen, omdat een deel van de kosten ook door niet-zieken wordt gemaakt. Tevens werd het belastbaar inkomen verhoogd met de helft van de forfaitaire huurwaarde, omdat belanghebbende een huurprijs betaalde die lager was dan de normale huur.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de waardering van de bewijsmiddelen aan het Hof was voorbehouden. Ook het opwerpen van een nieuw geschilpunt door de Inspecteur tijdens de zitting werd niet als procesrechtelijke schending aangemerkt. Het cassatieberoep werd daarom verworpen. De Hoge Raad kende geen proceskosten toe en bepaalde dat het door belanghebbende gestorte bedrag voor vervanging van de mondelinge uitspraak werd terugbetaald.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting 1993 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 1996 betreffende de haar voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 23.836,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. nr. 32.175-
> Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend, waarop echter geen acht kan worden geslagen nu de wet niet de mogelijkheid biedt een dergelijk stuk in te dienen.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. 's Hofs oordeel met betrekking tot de kosten van huishoudelijke hulp moet aldus worden verstaan dat het heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het onderhavige jaar tot een hoger bedrag dan ƒ 1.170,-- kosten heeft gemaakt voor huishoudelijke hulp, waarvan slechts ƒ 942,-- op grond van artikel 46, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) als buitengewone lasten in aanmerking kan worden genomen, omdat ook niet-zieken een bedrag van ƒ 228,-- voor huishoudelijke hulp plegen uit te geven. Dit oordeel, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het huis dat belanghebbende bewoont en waarvoor zij in plaats van de normaal te achten huur van ƒ 700,-- per maand slechts ƒ 350,-- per maand aan huur betaalt, haar voor de helft ter beschikking staat in de zin van artikel 42a, lid 5, van de Wet, zodat haar belastbare inkomen dient te worden verhoogd met de helft van de voor het huis vastgestelde forfaitaire huurwaarde. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in voornoemd artikel en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende niet met vrucht in cassatie worden bestreden. < nr. 32.175-
3.3. Indien een belastingplichtige in beroep een aanslag op een bepaald punt bestrijdt staat het de inspecteur vrij andere elementen van de aanslag aan de orde te stellen en op grond daarvan het standpunt in te nemen dat de aanslag, hoewel mogelijk op het bestreden punt onjuist, toch niet te hoog is vastgesteld. Hij moet daarbij wel rekening houden met de processuele belangen van de belastingplichtige. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende niet in haar processuele positie is geschaad door het opwerpen door de Inspecteur van een nieuw geschilpunt tijdens de mondelinge behandeling. Dit oordeel is, in aanmerking genomen dat dit geschilpunt blijkens het onder 4 van zijn uitspraak door het Hof vermelde een correctie van eenvoudige aard betrof die al over eerdere jaren was toegepast waarop door belanghebbende - volgens mededeling van belanghebbendes gemachtigde ter zitting van het Hof - niet was gereageerd, niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. De vaststelling van hetgeen ter zitting is voorgevallen is voorbehouden aan het Hof. 3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 7 mei 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Het door belanghebbende ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,-- wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende terugbetaald.