ECLI:NL:HR:1997:AA3232
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing desinvesteringsbetaling bij gedeeltelijke verhuur pand
X B.V. en B B.V. kochten gezamenlijk een pand en verbouwden dit voor kantoorverhuur. In 1987 verhuurden zij de eerste en tweede verdieping aan C B.V. met een koopoptie. De Inspecteur legde een desinvesteringsbetaling op in 1988, stellende dat sprake was van vervreemding volgens de Wet op de inkomstenbelasting.
X B.V. stelde primair dat de economische eigendom reeds in 1987 was overgedragen, zodat de desinvesteringsbetaling ten onrechte in 1988 werd geheven. Subsidiair betoogde zij dat het pand niet hoofdzakelijk ter beschikking was gesteld aan een derde vanwege de omvang van het verhuurde gedeelte.
Het Hof verwierp beide standpunten, oordelend dat het gehele economische belang niet was overgedragen en dat bij de beoordeling van hoofdzakelijk ter beschikking stellen ook rekening moet worden gehouden met de hoogte en bruikbaarheid van de derde etage. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af.
De Hoge Raad benadrukt dat voor vervreemding het gehele economische belang moet zijn overgedragen en dat het arrest van 7 april 1991 niet van toepassing is op deze situatie. Tevens is het oordeel van het Hof over de hoofdzakelijkheid van terbeschikkingstelling niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad veroordeelt X B.V. niet in de proceskosten en stelt het arrest vast op 7 mei 1997.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toepassing van de desinvesteringsbetaling in 1988.