Uitspraak
[X] N.V.te
[Z]tegen de uitspraak van
Gerechtshof te Amsterdamvan 20 juni 1995 betreffende na te melden beschikking inzake vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de waardedaling van een pakket aandelen, die plaatsvond tussen het moment waarop de deelnemingsvrijstelling niet langer van toepassing was en de balansdatum, meegenomen kon worden bij de winstbepaling van het betreffende jaar. De Inspecteur had de aanslag vennootschapsbelasting over 1988 verminderd, maar belanghebbende was het daarmee oneens en ging in beroep bij het Hof. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad overwoog dat de deelnemingsvrijstelling bedoeld is om voordelen vrij te stellen die zijn ontstaan in de periode dat de vrijstelling gold. Bij verlies van de deelnemingsstatus is het passend om de waarde van de aandelen aan het einde van die periode als kostprijs te hanteren. Goed koopmansgebruik staat toe dat aandelen per balansdatum worden gewaardeerd op deze kostprijs of een lagere beurskoers, ook als deze kostprijs afwijkt van de historische kostprijs.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de beschikking van de Inspecteur, en bepaalde dat de aanslag over 1988 nihil moest zijn. Tevens werden proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen en de Staat aangewezen als de partij die de kosten van het Hof moet vergoeden. Het arrest werd op 22 januari 1997 uitgesproken door de derde kamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting over 1988 wordt nihil vastgesteld en het arrest van het Hof wordt vernietigd.