ECLI:NL:HR:1997:AA2241

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juli 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32513
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleer
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 87 Provinciewet (oud)Art. 152a Provinciewet (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid provincie tot opleggen verhoging navorderingsaanslag zuiveringsheffing niet gegrond

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De provincie had aan X B.V. een navorderingsaanslag opgelegd voor de zuiveringsheffing over 1990, inclusief een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting. Deze verhoging was door Gedeputeerde Staten teruggebracht tot 25%. Belanghebbende kwam in beroep tegen deze aanslag en het kwijtscheldingsbesluit.

Het Hof heeft de navorderingsaanslag verminderd met het bedrag van de verhoging. De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld of de provincie bevoegd was om een dergelijke verhoging op te leggen. Volgens de Hoge Raad heeft de verhoging het karakter van een boete wegens het niet betalen van belasting, maar ontbreekt een wettelijke grondslag in de Provinciewet om deze verhoging op te leggen.

De Hoge Raad bevestigt dat artikel 152a en artikel 87 van Pro de oude Provinciewet geen bevoegdheid geven aan de provincie om een verhoging in de vorm van een boete op te leggen door middel van een verhoging van de niet betaalde belasting. Het beroep van Gedeputeerde Staten wordt daarom verworpen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep van Gedeputeerde Staten en bevestigde dat de provincie niet bevoegd is een verhoging op de navorderingsaanslag op te leggen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juni 1996 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is vanwege het lozen van afvalstoffen vanuit het perceel a-straat 1 te Q een navorderingsaanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht voor het jaar 1990 opgelegd, ten bedrage van ƒ 53.170,44,-- aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van Gedeputeerde Staten tot op 25 percent is kwijtgescholden. Belanghebbende is van de aanslag en het kwijtscheldingsbesluit van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de navorderingsaanslag verminderd met het bedrag van de verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Gedeputeerde Staten hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroep schrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Een op de voet van artikel 18, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in een navorderingsaanslag begrepen verhoging heeft het karakter van een wegens het niet betalen van belasting belopen boete, opgelegd in de vorm van het verhogen van de niet betaalde enkelvoudige belasting. Een dergelijke verhoging verschilt naar haar aard zozeer van (enkelvoudige) belasting dat artikel 152a van de Provincie wet (oud), welk artikel de provincie de bevoegdheid geeft nadere regels te stellen omtrent de heffing van provinciale belastingen, geen grondslag biedt voor het stellen van regels omtrent het door belastingplichtigen verschuldigd worden van zo een verhoging. Die grondslag kan ook niet worden gevonden in enige andere wettelijke bepaling en in het bijzonder niet in artikel 87 (oud) van de Provinciewet. Dit artikel geeft wel de provincie de bevoegdheid boeten te stellen op het niet nakomen van fiscale verplichtingen, maar niet de bevoegdheid zelf die boeten op te leggen en in te vorderen door daaraan de vorm te geven van verhoging van niet betaalde enkelvoudige belasting. 3.2. 's Hofs oordeel dat Gedeputeerde Staten niet de bevoegdheid hadden een verhoging toe te passen bij het vaststellen van de navorderingsaanslag, waarin ligt besloten dat artikel 18 van Pro de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht 1986 onver bindend is voor zover dat artikel inhoudt dat artikel 18, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is, is der halve juist. De middelen falen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak onder nummer 32.514 redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen zoals hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, veroordeelt Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Provincie Utrecht aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.
Dit arrest is op 22 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleer en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Gedeputeerde Staten wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.