ECLI:NL:HR:1997:AA2217

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30691
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenSuccessiewet 1956 Art. 20Successiewet 1956 Art. 21
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering onroerende zaken in successierecht ondanks betwisting

Belanghebbenden, de erven A, maakten bezwaar tegen een aanslag in het successierecht ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van erflater, overleden in 1989. De aanslag bedroeg in totaal ƒ 34.882,18 en werd gehandhaafd door de inspecteur na bezwaar. Vervolgens kwam het geschil voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het oordeel van de inspecteur bevestigde.

Belanghebbenden stelden in cassatie dat de waarde van de onroerende zaken in de nalatenschap lager moest worden vastgesteld vanwege de contante waarde van de nettoruilverkavelingsschuld, een aftrekpost die zij berekenden en die volgens hen de economische waarde van de onroerende zaken drukt. Het hof oordeelde dat deze stelling feitelijk neerkwam op een andere waarderingsgrondslag dan die door de inspecteur werd gehanteerd en wees deze af.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof de waardering van de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was. De middelen van belanghebbenden faalden dan ook. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag successierecht wordt gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X (de Erven A) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 augustus 1994 betreffende de aan hen opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van A (hierna: erflater), overleden op 12 december 1989.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden zijn ter zake van bovenver melde verkrijgingen op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in het successierecht opgelegd van in totaal ƒ 34.882,18, welke aanslagen, na daartegen ge maakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige middelen aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Het Hof heeft de stelling van belanghebbenden dat de door hen berekende aftrek van de contante waarde van de nettoruilverkavelingsschuld gerechtvaardigd is nu zulk een aftrek in de praktijk ook wordt toegepast bij verkooptransacties van zowel gehele boerderijen als van los land, aldus opgevat dat naar de mening van belanghebbenden de waarde in het economische verkeer van de onderhavige onroerende zaken wordt gedrukt door de verschuldigdheid van de ruilverkavelingsrenten. Het Hof heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat belanghebbenden voor het Hof het standpunt hebben ingenomen dat de waarde in het economische verkeer van de onderhavige onroerende zaken niet moet worden gesteld op de door de Inspecteur in aanmerking genomen waarde maar op een bedrag gelijk aan die waarde verminderd met vorenbedoelde aftrek ter zake van ruilverkavelingsrenten. Het van een andere lezing uitgaande eerste middel mist der halve feitelijke grondslag. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de voor de onderhavige onroerende zaken vastgestelde waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat hetgeen belanghebbenden hebben aangevoerd geen reden geeft die waarde op een lager bedrag te bepalen. Dit oordeel, dat berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, behoefde geen nadere motivering en is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voor zover de middelen tegen dit oordeel zijn gericht falen zij derhalve. 3.3. De middelen falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechts vragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.