ECLI:NL:HR:1997:AA2192

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32454
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Uitvoeringsbeschikking motorrijtuigenbelasting 1966Art. 3 lid 2 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ondanks bezwaar belanghebbende

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor het tijdvak juni 1992 tot mei 1993. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de aanslag en weigerde kwijtschelding van de verhoging. De aanslag werd ambtshalve verminderd, maar belanghebbende ging in beroep bij het hof. Het hof vernietigde de eerdere uitspraak en handhaafde de ambtshalve vermindering en het besluit van de inspecteur.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden van de FH-regeling omdat het bijzondere kentekenbewijs en betalingsbewijs ontbraken. Dit oordeel betrof feitelijke waarderingen die in cassatie niet konden worden getoetst.

De klacht dat in het verleden slechts een boete was opgelegd werd niet ontvankelijk verklaard omdat dit een feitelijke beoordeling vereist die in cassatie niet aan de orde is. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 2 juli 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-BB een naheffingsaanslag opgelegd, berekend over het tijdvak 1 juni 1992 tot en met 31 mei 1993, ten bedrage van ƒ 672,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 672,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. De Inspecteur heeft op 17 februari 1994 de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 540,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 540,-- aan verhoging. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur en diens besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft vernietigd, de naheffingsaanslag zoals deze ambtshalve is verminderd heeft gehandhaafd en het besluit waarvan beroep heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van de controle met betrekking tot het onderhavige motorvoertuig niet voldeed aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de toepassing van de zogenaamde FH-regeling, omdat het bijzondere kentekenbewijs en het bewijs van betaling niet konden worden getoond. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 1 van Pro de Uitvoeringsbeschikking motorrijtuigenbelasting 1966 jo artikel 3, lid 2, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige niet in cassatie op zijn juistheid worden getoetst. 3.2. De klacht dat aan belanghebbende in het verleden slechts een boete is opgelegd in een zelfde situatie, kan, nu deze klacht eerst in cassatie te berde wordt gebracht, niet tot casatie leiden, aangezien de behandeling ervan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor het geding in cassatie geen plaats biedt.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 juli 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.