ECLI:NL:HR:1997:AA2183

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30646
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Wet op de loonbelasting 1964Art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 4 Richtlijn 79/7/EEGArt. 6 EVRMArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling heffing opslagpremies volksverzekeringen en rechtmatigheid volgens internationale verdragen

Belanghebbende was het niet eens met de voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen, waaronder de opslagpremies Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag bevestigd.

In cassatie stelde belanghebbende dat de heffing onrechtmatig was, onder meer vanwege strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 4 van Pro de Europese sociale zekerheidsrichtlijn en artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de heffing van opslagpremies in overeenstemming was met de toen geldende wettelijke bepalingen en niet in strijd was met genoemde internationale bepalingen.

Voorts stelde de Hoge Raad vast dat de beslissing over premies volksverzekeringen niet valt onder het begrip 'civil rights and obligations' in artikel 6 EVRM Pro, anders dan bij sociale werknemersverzekeringen. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen zonder veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de heffing van opslagpremies volksverzekeringen wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 augustus 1994 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 33.994,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op verzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur voor het jaar 1989 een beschikking tot vermindering van loonbelasting als bedoeld in artikel 30 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 afgegeven. Nadat zich een wijziging in de omstandigheden had voorgedaan in september 1989, bleek echter dat de aftrekposten, waarop de vermindering betrekking had, in mindering dienden te worden gebracht van het inkomen van belanghebbendes echtgenote aangezien zij naar verwachting het hoogste persoonlijk arbeidsinkomen zou heb-- ben. De Inspecteur heeft op verzoek van belanghebbende voornoemde beschikking ingetrokken. Bij het vaststellen van de aanslag premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1989 zijn van belanghebbende onder meer verschuldigde premies Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) en Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW), de zogenoemde opslagpremies, geheven. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het heffen van opslagpremies van belanghebbende in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen van de AWBZ en de AAW, zoals deze in 1989 luidden. Dit oordeel is juist. Voorzover de middelen anders betogen, falen zij. 3.3. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat het in 1989 geldende systeem van heffing van opslagpremies niet een redelijke en objectieve grond ontbeert en dat derhalve het heffen van opslagpremies van belanghebbende niet in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro. Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat het heffen van opslagpremies van belanghebbende niet in strijd is met artikel 4 van Pro de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de sociale zekerheid (79/7/EEG), nu de desbetreffende wettelijke bepalingen van de AWBZ en de AAW, zoals deze in 1989 luidden, geen onderscheid maken naar geslacht. Deze oordelen zijn, naar redelijkerwijs niet kan worden betwijfeld, juist. Voorzover de middelen anders betogen, falen zij derhalve. 3.4. Voorzover de middelen betogen dat niet aan de in artikel 6 EVRM Pro neergelegde waarborgen is voldaan, falen zij eveneens. De beslissing omtrent verschuldigde premies volksverzekeringen is niet aan te merken als een "determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him" als in het eerste lid van voornoemd artikel bedoeld. Rechten en verplichtingen vanwege de volksverzekeringen zijn immers niet aan te merken als burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van voormeld artikel 6, zulks anders dan is beslist met betrekking tot de sociale werknemersverzekeringen in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, 9 december 1994, nrs. 48/1993/443/522 en 49/1993/444/523, inzake Schouten en Meldrum (BNB 1995/113). 3.5. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 18 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.