ECLI:NL:HR:1997:AA2149

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening toeristenbelasting 1993Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid toeristenbelastingaanslag gemeente Ede 1995

X B.V. is voor het jaar 1995 aangeslagen voor toeristenbelasting door de gemeente Ede vanwege het houden van mobiele kampeeronderkomens. Na bezwaar werd de aanslag gehandhaafd door het Hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente. X B.V. ging vervolgens in beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de aanslag bevestigde.

In cassatie betoogde X B.V. dat de teldata voor het bepalen van het aantal mobiele onderkomens niet voldeden aan artikel 5, lid 3, van de Verordening toeristenbelasting 1993, omdat twee tellingen binnen één periode van twee maanden zouden zijn gehouden. De Hoge Raad oordeelde dat de Verordening Burgemeester en Wethouders de vrijheid geeft om de twee maanden perioden vast te stellen en dat de gekozen teldata voldoende gespreid waren om een objectieve vaststelling van het aantal overnachtingen te waarborgen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 11 juni 1997 door de Hoge Raad vastgesteld en openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag toeristenbelasting 1995 van de gemeente Ede.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 juli 1996 betreffende de aan haar voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de toeristenbelasting van de gemeente Ede.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voorzover thans van belang voor het jaar 1995 een aanslag in de toeristenbelasting van de gemeente Ede opgelegd ten bedrage van ƒ 14.616,-- ter zake van het houden van verblijf met overnachten in mobiele kampeeronderkomens, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente Ede (hierna: het Hoofd) is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Hoofd heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Artikel 5, lid 3, van de Verordening toeristenbelasting 1993 van de gemeente Ede (hierna: de Verordening) bepaalt dat het aantal mobiele onderkomens op niet vaste standplaatsen wordt vastgesteld op het gemiddelde van een zestal tellingen gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt binnen een afzonderlijke periode van twee maanden. Belanghebbende betoogt dat Burgemeester en Wethouders in strijd met voormelde bepaling de teldata hebben vastgesteld op 5 juli 1995 en 17 augustus 1995, waardoor - aldus belanghebbende - sprake is van twee tellingen in één periode van twee maanden. 3.2. De klacht komt erop neer dat de teldata in strijd met de Verordening zijn gekozen. De kennelijke strekking van het genoemde artikellid is dat het forfaitair te bepalen aantal overnachtingen door het systeem van tellingen op objectieve wijze zodanig wordt vastgesteld dat dit het aantal werkelijke overnachtingen per jaar zoveel mogelijk benadert. Aan Burgemeester en Wethouders is de vrijheid twee maanden vast te stellen. De wijze waarop Burgemeester en Wethouders hier de tellingen hebben vastgesteld, te weten één telling in de periode van de maanden juni en juli, één telling in de periode van de maanden augustus en september alsmede vier tellingen in de overige perioden waarvan het resultaat op nihil is gesteld, is mede gelet op de tussen de twee teldata in juli en in augustus gelegen tijdsruimte, niet in strijd met de Verordening te achten. De Verordening dwingt, gelet op de hiervoor vermelde strekking daarvan, niet tot de in de klacht verdedigde opvatting dat de teldata slechts kunnen worden vastgesteld met inachtneming van tweemaandelijkse perioden die op 1 januari aanvangen. De peildata zijn zodanig gespreid, dat - nu uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden - niet kan worden aangenomen dat het resultaat van de tellingen in mindere mate tot een objectieve vaststelling van het aantal overnachtingen leidt dan wanneer een strikte indeling van het jaar in perioden van twee maanden, aanvangende op 1 januari, zou zijn aangehouden. De klacht faalt derhalve. 3.3. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.