ECLI:NL:HR:1997:AA2144

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32705
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenGemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks overgelegde parkeerkaart

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Tilburg voor parkeren op 17 mei 1994. Na bezwaar en beroep bij het gerechtshof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen waarde hechtte aan de door hem overgelegde parkeerkaart als bewijs van betaling.

Het hof oordeelde dat de eigen verklaring van belanghebbende onvoldoende was om aannemelijk te maken dat de belasting was voldaan en dat de parkeerkaart onvoldoende steun bood aan deze verklaring. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het hof de bewijsmiddelen naar behoren had gewogen en dat geen nadere motivering nodig was.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bepaalde dat het teveel betaalde bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak door het hof aan belanghebbende wordt terugbetaald. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 oktober 1996 betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 17 mei 1994 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Tilburg opgelegd ten bedrage van ƒ 66,75, bestaande uit ƒ 1,75 aan enkelvoudige belasting en ƒ 65,-- aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Burgemeester en Wethouders hebben een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met alleen zijn eigen verklaring onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag de ter zake van het parkeren verschuldigde belasting heeft betaald. Voor zover het middel betoogt dat het Hof geen enkele aandacht heeft geschonken aan de door belanghebbende overgelegde parkeerkaart, mist het gelet op het in 4.5 van 's Hofs uitspraak overwogene feitelijke grondslag. Voor het overige berust dit oordeel, waarin ligt besloten dat die parkeerkaart onvoldoende steun biedt aan belanghebbendes verklaring, op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Het is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan daaraan door het Hof is gegeven, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het tegen dit oordeel gerichte middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Het door belanghebbende ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof teveel betaalde bedrag van ƒ 75,-- wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende terugbetaald.