ECLI:NL:HR:1997:AA2138
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Zuurmond
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek buitengewone last voor kost en inwoning meerderjarige zoon
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.765. Hij had bezwaar gemaakt tegen de aanslag, maar dit bezwaar werd door de inspecteur afgewezen. Vervolgens ging belanghebbende in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de inspecteur bevestigde.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende de waarde van kost en inwoning die hij zijn 19-jarige zoon om niet verstrekte, mocht aftrekken als buitengewone last op grond van artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende stelde de waarde van de kost en inwoning op ƒ 90 per week, de inspecteur op ƒ 56 per week. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan zijn onderhoudsplicht had voldaan en dat de aftrek niet toegestaan was.
In cassatie stelde belanghebbende dat iedere bijdrage aan het levensonderhoud van een meerderjarig kind onder de onderhoudsplicht valt, maar de Hoge Raad verwierp dit standpunt. Ook het verweer dat de inspecteur de onderhoudsplicht niet had bestreden, faalde. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat niet was komen vast te staan dat belanghebbende in belangrijke mate had bijgedragen aan de kosten van levensonderhoud van zijn zoon.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen aftrek van kost en inwoning als buitengewone last is toegestaan.