ECLI:NL:HR:1997:AA2136
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Meij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Minister tot uitsluiting kleine ondernemersregeling bij belaste verhuur onroerend goed
Belanghebbende verhuurde onroerend goed aan een B.V. en had op gezamenlijk verzoek van partijen gekozen voor belaste verhuur, waardoor de verhuur niet vrijgesteld was van omzetbelasting. Belanghebbende paste een vermindering toe op grond van artikel 25 Wet Pro OB 1968, de kleine ondernemersregeling, maar de Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij van oordeel was dat deze regeling niet van toepassing was.
Het Hof oordeelde dat artikel 6a, lid 4, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, waarin de uitsluiting van de kleine ondernemersregeling bij belaste verhuur is geregeld, onverbindend was omdat de Minister van Financiën niet bevoegd zou zijn om deze voorwaarde te stellen. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat de bevoegdheid van de Minister om voorwaarden te stellen bij de keuze voor belaste verhuur al sinds de inwerkingtreding van de Wet OB 1968 in 1969 bestond en dat de parlementaire behandeling van de Wet van 28 december 1978 bevestigde dat de Minister bevoegd was om de uitsluiting van de kleine ondernemersregeling als voorwaarde te stellen. De Hoge Raad concludeerde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de bepaling onverbindend was en vernietigde het arrest van het Hof, bevestigde de naheffingsaanslag en wees de proceskosten af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de naheffingsaanslag en vernietigt het arrest van het Hof dat de ministeriële uitsluiting van de kleine ondernemersregeling onverbindend achtte.