ECLI:NL:HR:1997:AA2130
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Fleers
- Pos
- Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale eenheid en aandelenoverdracht met belastingheffing over inkomstenvermogen
Belanghebbende was aandeelhouder in een BV samen met zijn vader en broer. Vader en broer verkochten hun aandelen aan een andere BV (D BV), waarvan belanghebbende enig aandeelhouder was. Belanghebbende wilde zijn aandelen ook overdragen aan D BV met toepassing van de gefacilieerde aandelenruil, maar dit werd afgewezen omdat D BV niet als 'daartoe opgerichte vennootschap' werd aangemerkt.
In december 1990 verkocht belanghebbende zijn aandelen aan D BV tegen de waarde in het economische verkeer, waarbij D BV de koopsom schuldig bleef. Het hof oordeelde dat de overdracht was ingegeven door het motief om persoonlijk beschikking te krijgen over de middelen van de BV, waarbij belastingontwijking de doorslaggevende reden was. Het hof verwierp het argument dat de overdracht was bedoeld om een fiscale eenheid te creëren voor renteverrekening.
In cassatie betoogde belanghebbende dat niet was vastgesteld of dividenduitkeringen mogelijk waren en dat andere bedrijfskosten niet konden worden verrekend met dividend. De Hoge Raad verwierp deze klachten omdat deze niet waren weersproken of onderbouwd in het hofproces en omdat feitelijke beoordeling in cassatie niet aan de orde is.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht oordeelde dat de fiscale eenheid niet werkelijk nodig was en dat het verkrijgen van privébeschikking over reserves doorslaggevend was. Het beroep in cassatie werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting 1990 wordt gehandhaafd.