ECLI:NL:HR:1997:AA2128
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Vermogensschadevergoeding en vervangingsreserve bij beëindiging veerdienst
Belanghebbende, een BV die een fiscale eenheid vormde met een andere BV die een veerdienst exploiteerde, kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over 1988 vanwege een ontvangen schadeloosstelling voor vermogensschade na beëindiging van de veerdienst.
Het hof oordeelde dat de schadeloosstelling in principe als vergoeding voor verlies van bedrijfsmiddelen kon worden aangemerkt en dat een vervangingsreserve gevormd kon worden, maar verwierp het vervangingsvoornemen omdat belanghebbende dit niet aannemelijk had gemaakt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest omdat het hof niet heeft vastgesteld of het vervangingsvoornemen daadwerkelijk aan de orde was, en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van dit punt. Tevens wordt geoordeeld dat de ruime uitleg van artikel 14 Wet Pro inkomstenbelasting 1964 door het hof niet volledig juist is.
De Hoge Raad gelast vergoeding van het griffierecht en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende. De zaak wordt ter verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar het vervangingsvoornemen bij de vervangingsreserve.