ECLI:NL:HR:1997:AA2112

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32143
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitsluiting investeringsaftrek voor personenauto niet bestemd voor beroepsvervoer

Belanghebbende, een freelance cameraman, had voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 124.241,--. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag, maar dit werd door de Inspecteur en het Gerechtshof bevestigd. De kwestie betrof de investeringsaftrek voor een personenauto die belanghebbende gebruikte voor vervoer van personeel en apparatuur.

De Hoge Raad oordeelde dat de auto niet bestemd was voor beroepsvervoer over de weg, zoals bedoeld in artikel 11, lid 5, aanhef en onder f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het gebruik van de auto was ondergeschikt aan de dienstverlening en het vervoer was niet het voorwerp van de dienstverlening.

De klachten tegen dit oordeel faalden, en de Hoge Raad zag geen aanleiding voor nadere motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het beroep in cassatie werd verworpen en het arrest op 19 maart 1997 uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 maart 1996 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 124.241,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende drijft als freelance cameraman een onderneming in de zin van artikel 6 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Zijn activiteiten bestaan - onder meer - uit het maken van opnames ten behoeve van televisie-actualiteitenprogramma's. In het onderhavige jaar (1992) heeft belanghebbende een personenauto van het merk Volvo 940 GL 2.3 Estate (hierna: de auto) aangeschaft. Hij gebruikt deze auto voor zijn eigen vervoer van en naar de plaatsen waar opnamen plaatsvinden, voor het vervoeren van camera-apparatuur met toebehoren en, in voorkomende gevallen, voor het vervoer van een televisieverslaggever, geluidsman, regisseur en/of redacteur van en naar genoemde plaatsen. Voor het laatstgenoemde vervoer ontvangt belanghebbende van zijn opdrachtgever een vergoeding op basis van verreden kilometers. Belanghebbende heeft geen vergunning voor beroepsvervoer van personen. In zijn aangifte voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende ter zake van voormelde aanschaffing aanspraak gemaakt op toepassing van de investeringsaftrek. De Inspecteur heeft deze aanspraak niet gehonoreerd. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige investering op grond van het bepaalde in artikel 11, lid 5, aanhef en onder f, (tekst 1992) van de Wet is uitgesloten van investeringsatrek.
3.2. Het Hof heeft overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur beslist. Het heeft daartoe geoordeeld dat de onderhavige personenauto niet is bestemd voor het beroepsvervoer over de weg.
3.3. Voor zover de klachten zich richten tegen dit oordeel, falen zij. De in de onderhavige bepaling vervatte uitzondering voor bepaalde personenauto's waardoor deze niet behoeven te delen in de uitsluiting van de investeringsaftrek, ziet, naar volgt uit de woorden "beroepsvervoer over de weg", op voertuigen die worden gebezigd voor activiteiten van de onderneming, waarbij het vervoer als zodanig het voorwerp van de dienstverlening vormt. Blijkens hetgeen hiervóór in 3.1 is weergegeven, is het gebruik van de onderhavige auto ondergeschikt aan het verrichten van diensten die niet als vervoer kunnen worden aangemerkt.
3.4. De klachten falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 19 maart 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Bellaart, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.