ECLI:NL:HR:1997:AA2109
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Fleers
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en boete inkomstenbelasting 1990
Belanghebbende kreeg aanvankelijk een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over 1990 met een belastbaar inkomen van ƒ 44.834,--. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 58.504,-- en een boete, waarvan een deel werd kwijtgescholden. Belanghebbende maakte bezwaar, maar het Hof Amsterdam bevestigde de aanslag en de boete.
In cassatie betoogde belanghebbende onder meer dat het vertrouwen op de administratieve werkwijze van de Inspecteur ten onrechte werd verworpen en dat de boete onterecht was omdat niet bewezen zou zijn dat hem grove schuld te wijten was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht aannam dat het achterwege laten van de bijtelling privé-gebruik auto bij de vader niet tot vertrouwen bij belanghebbende kon leiden, mede omdat de Inspecteur hierover geen toezegging had gedaan.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat het Hof voldoende gemotiveerd had dat belanghebbende bewust onjuist had gehandeld door in de aangifte geen melding te maken van de ter beschikking gestelde auto, wat de grondslag vormde voor de boete wegens grove schuld. Andere middelen faalden omdat ze feitelijke beoordeling betroffen of niet tot cassatie leidden. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.