ECLI:NL:HR:1997:AA2094

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31650
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 1 aanhef en letter j Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrekbare kosten beroepsvoetballer bij bezoeken aan voetbalwedstrijden

Belanghebbende, een beroepsvoetballer, kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 51.667,-. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de reis- en verblijfkosten van ƒ 1.300,- voor het bezoeken van voetbalwedstrijden van andere profclubs aftrekbaar moesten zijn.

De Hoge Raad overwoog dat het bezoeken van wedstrijden met het doel de speelwijze van toekomstige tegenstanders te bestuderen kan worden gelijkgesteld met een studiereis of excursie in de zin van artikel 36, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit geldt ook indien het bezoek plaatsvindt op directe opdracht van de werkgever, ook al betreft het geen directe taakvervulling zoals bij een trainer of talentscout.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof. Er waren geen gronden voor veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 26 februari 1997 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 oktober 1995 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.667,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in 1990 als beroepsvoetballer in dienstbetrekking werkzaam. Hij bezocht als toeschouwer voetbalwedstrijden van andere profclubs teneinde de speelwijze van toekomstige tegenstanders te bestuderen. Het bezoek aan deze wedstrijden kon bijdragen aan een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking van belanghebbende. De hiermee gemoeide reis- en verblijfkosten bedroegen ƒ 1.300,--. 3.2 Het bezoeken van voetbalwedstrijden door een beroepsvoetballer met het doel waarvan hier sprake was dient op één lijn te worden gesteld met het deelnemen aan een excursie of studiereis in de zin van artikel 36, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dat is niet anders indien dat bezoeken - zoals hier volgens het middel het geval was - ingevolge een rechtstreekse opdracht van de werkgever plaatsvindt, nu ook dan immers geen sprake is van rechtstreekse taakvervulling als bijvoorbeeld bij een trainer of talentscout. Het van een andere opvatting uitgaande middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 26 februari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.