ECLI:NL:HR:1997:AA2065
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing over vruchtgebruik met faillissementsvoorwaarde
Belanghebbende had in 1989 een zakelijk recht van vruchtgebruik gevestigd op een stuk grond uit zijn privévermogen ten behoeve van een besloten vennootschap. Dit recht was voor dertig jaar en eindigde tevens bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie van de vennootschap. De Inspecteur belastte de vergoeding die belanghebbende hiervoor ontving als inkomsten uit vermogen.
Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze belastingheffing bevestigd. Belanghebbende stelde in cassatie dat het beding omtrent beëindiging bij faillissement of surséance van betaling niet beslissend mocht zijn voor de fiscale kwalificatie. De Hoge Raad oordeelde echter dat de tijdsduur van het genotsrecht moet aansluiten bij de wettelijk toegestane maximale termijn voor dergelijke rechten ten behoeve van rechtspersonen.
Het beding dat het vruchtgebruik eindigt bij faillissement of surséance van betaling is wezenlijk voor de tijdsduur en sluit niet aan bij de toegestane maximale termijn. Daarom faalt het cassatieberoep en blijft de aanslag gehandhaafd. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en sprak het arrest uit op 7 mei 1997.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting blijft gehandhaafd.