Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1996:ZD0495

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 1996
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
102.37
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Hermans
  • raadsheer Keijzer
  • raadsheer Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • raadsheer Koster
  • raadsheer Corstens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14j SrArt. 361a SvArt. 14c lid 1 SrArt. 14e SrArt. 21 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over ontvankelijkheid hoger beroep bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

In deze strafzaak ging het om de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen afzonderlijke beslissingen van de kantonrechter inzake vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke veroordelingen. De kantonrechter had het OM niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen deze beslissingen, omdat zij geen deel uitmaken van het vonnis en artikel 14j Sr bepaalt dat dergelijke afzonderlijke beslissingen niet aan rechtsmiddelen zijn onderworpen.

De rechtbank had echter geoordeeld dat het OM wel ontvankelijk was, wat in strijd was met artikel 361a Sv, omdat de kantonrechter zijn beslissingen niet in het vonnis had opgenomen. De Hoge Raad oordeelde dat ook indien artikel 361a Sv niet juist was toegepast, artikel 14j Sr het hoger beroep tegen deze beslissingen uitsluit. Omdat het OM hierover niet klaagde in cassatie, leidt dit niet tot vernietiging.

Verder heeft de rechtbank ten onrechte beraadslaagd over de vorderingen tot tenuitvoerlegging die niet aan haar oordeel waren onderworpen. Omdat hierover ook niet werd geklaagd, werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkheid van het OM in hoger beroep tegen de afzonderlijke beslissingen over tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afzonderlijke beslissingen over tenuitvoerlegging.

Uitspraak

25 juni 1996
Strafkamer
Nr. 102.370
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
Op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 28 december 1994 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Knartonrechter te Utrecht van 18 augustus 1993 – 1. Het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzende beslissing van de Kantonrechter te Utrecht op zijn vorderingen tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling; 2. Het Openbaar Ministerie niet-ontvankeliijk verklaard in zijn vorderingen tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling en 3. De verdachte ter zaken van “overtreding van artikel 21, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” veroordeeld tot een geldboete van zestienhonderd gulden, subsidiair zestien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één jaar, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie in het arrondissement Utrecht. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de verdachte, mr Th.A. de Roos, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Procesgang
4.1. Bij de stukken van het geding bevinden zich:
- een extract vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 20 januari 1992 met parketnummer 000094–91, waarbij de verdachte is veroordeeld tot - onder meer - een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;
- een extract vonnis van diezelfde Rechtbank van 20 januari 1992 met parketnummer 000098–91, waarbij de verdachte is veroordeeld tot - onder meer - een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
4.2. Op 18 augustus 1993 heeft de Kantonrechter als volgt beslist:
A. bij het hiervoor onder 1 vermelde, in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekende, mondelinge vonnis tot veroordeling van de verdachte ter zake van het aldaar vermelde, op 31 oktober 1992 gepleegde feit, en
B. bij afzonderlijk gegeven beslissingen in de hiervoren onder 4.1 bedoelde zaken telkens tot afwijzing van de vorderingen van de Officier van Justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling.
4.3. De Officier van Justitie heeft tegen voormeld vonnis, en tegen voormelde beslissingen tot afwijzing, hoger beroep ingesteld. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
4.4.1. De Rechtbank heeft de Officier van Justitie in zijn hoger beroep ter zake van vorenbedoelde vorderingen tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaard, daartoe overwegende:
De rechter acht de officier van Justitie in zijn appel tegen de beslissingen inzake de vorderingen tot tenuitvoerlegging met zijn parketnummers 18.000094-91 en 18.000098-91 niet ontvankelijk. Deze beslissingen maken immers geen deel uit van het vonnis van de kantonrechter met het parketnummer 16/276242-93 en krachtens het bepaalde in artikel 14j van het Wetboek van Strafrecht zijn dergelijke afzonderlijke beslissingen niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.
4.4.2. Voorts heeft zij, met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging in eerste aanleg, overwogen en beslist:
Ten aanzien van de vraag, of tenuitvoerlegging mogelijk is, als de algemene voorwaarde is overtreden, voordat de kennisgeving voorwaardelijke veroordeling aan de veroordeelde is betekend en de proeftijd is ingegaan, overweegt de rechter alsvolgt.
Artikel 14 c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, dat een voorwaardelijke veroordeling geschiedt onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De rechter legt deze bepaling op basis van de wetsgeschiedenis zodanig uit, dat, indien de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend, ook een nieuw strafbaar feit, gepleegd voordat de proeftijd is ingegaan, in beginsel tot tenuitvoerlegging kan leiden.
Noodzakelijk is wel, dat de officier van justitie de kennisgeving voorwaardelijke veroordeling conform het voorschrift van artikel 14e van het Wetboek van strafrecht zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde doet toekomen, daar hij anders de proeftijd naar believen zou kunnen verlengen. In het onderhavige geval heeft de officier van justitie in de zaken met parketnummers 18.000094.91 en 18.000098.91 hier bijna 10 maanden, te weten van 4 februari 1992, toen het vonnis van de kantonrechter onherroepelijk werd, tot 13 november 1992 mee gewacht.
De rechter acht deze tijdspanne niet “”zo spoedig mogelijk”. De officier van justitie dient dan ook om deze reden in zijn vorderingen tot tenuitvoerlegging niet ontvankelijk te worden verklaard.
5. Beoordeling van het middel
5.1. In strijd met het te dezen toepasselijke art. 361a Sv heeft de Kantonrechter zijn beslissingen op de ingediende vorderingen tot tenuitvoerlegging niet in het vonnis opgenomen. Ook indien art. 361a Sv ten onrechte niet is toegepast staat, gelet op art. 14j, eerste lid, Sr tegen een zodanige beslissing hoger beroep open. Het andersluidend oordeel van de Rechtbank is derhalve onjuist, doch nu daarover in het middel van de Officier van Justitie niet wordt geklaagd leidt zulks niet tot cassatie.
5.2. Voorts ligt in de bestreden uitspraak van de Rechtbank besloten het oordeel dat de verdachte geen beroep heeft ingesteld tegen de door de Kantonrechter afzonderlijk gegeven beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, bij welke beslissingen die vorderingen zijn afgewezen. Ook dat oordeel is in cassatie niet bestreden.
5.3. De oordelen als vermeld in 5.1 en 5.2 moeten dus in cassatie worden geëerbiedigd. Dat brengt mee dat genoemde vorderingen tot tenuitvoerlegging niet aan het oordeel van de Rechtbank waren onderworpen, zodat zij daarover ten onrechte heeft beraadslaagd en beslist. Nu het middel daarover niet klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster en Corstens in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op
25 juni 1996.