Verweerster in cassatie (verder te noemen de Unie) heeft bij exploit van 3 januari 1992 eiseressen tot cassatie (hierna afzonderlijk te noemen Arsenal respectievelijk Laskaridis en gezamenlijk aan te duiden als Arsenal c.s.) gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en gevorderd Arsenal c.s. te veroordelen om aan de Unie ter zake van aan het m.s. FRIO ALASKA verleende hulp te voldoen een bedrag van ƒ 500.000,--, althans zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente, en voorts het ten verzoeke van de Unie gelegde conservatoire vreemdelingenbeslag op de FRIO ALASKA van waarde te verklaren.
Arsenal c.s. hebben tegen de vordering verweer gevoerd en in reconventie gevorderd de Unie te veroordelen om aan Arsenal c.s. te betalen het bedrag, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, van de schade die door hen is geleden en zal worden geleden als gevolg van het beslag en van het genoopt zijn tot het stellen van een bankgarantie ter opheffing van het beslag.
De Unie heeft tegen de reconventionele vordering verweer gevoerd en bij akte haar eis in conventie verminderd tot ƒ 200.000,--.
Bij tussenvonnis van 23 september 1992 heeft de Rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen omtrent het doen uitbrengen van een deskundigenbericht.
Nadat vervolgens door partijen een deskundigenrapport in het geding was gebracht, de Unie haar eis verder had verminderd tot ƒ 150.000,-- en Arsenal c.s. hun vordering in reconventie hadden aangevuld en gewijzigd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 26 mei 1993 in conventie Arsenal veroordeeld tot betaling aan de Unie van ƒ 7.500,--, met wettelijke rente, en in reconventie de Unie veroordeeld tot betaling aan Arsenal van US$ 6.000,--, ƒ 2.220,--, ƒ 1.825,33 en ƒ 856,15, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede van ƒ 3,45 per dag vanaf 8 mei 1992 tot de dag der teruggave van de bankgarantie.
Tegen de vonnissen van de Rechtbank heeft de Unie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarna Arsenal c.s. incidenteel hoger beroep hebben ingesteld.
Bij arrest van 21 juni 1994 heeft het Hof in het principale hoger beroep de vonnissen van de Rechtbank, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en Arsenal veroordeeld tot betaling aan de Unie van een bedrag van ƒ 18.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente, en voorts in het incidentele hoger beroep het vonnis van 26 mei 1993, voor zover in reconventie gewezen, vernietigd en de Unie veroordeeld tot betaling aan Arsenal van US$ 14.310,--, ƒ 2.200,--, ƒ 2.000,--, ƒ 1.825,33 en ƒ 856,15, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede van ƒ 3,45 per dag vanaf 8 mei 1992 tot de dag der teruggave van de bankgarantie.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.